OZP colleges
Bachelor Pedagogische Wetenschappen
Onderzoekspracticum 1
Aantekeningen van de colleges
Luna Brama s3203948
,college 1
kenmerken van wetenschappelijke kennis
- vastomlijnde methode
criteria:
1. systematisch empirisch: toetsen aan de hand van de wereld om je heen
2. publieke verificatie (met een open keuken werken en mensen moeten kunnen zien wat je hebt
gebruikt)
3. oplosbare problemen
verschillende onderzoeken
- fundamenteel: onderzoek dat primaire bijdraagt aan wetenschappelijke kennis (hoe verloopt
de ontwikkeling van een kind?)
- toegepast: gelijk toepasbaar op de realiteit. Rekening houdend met de ontwikkeling, hoe
kunnen we pesten op school aanpakken?
1. beschrijvend onderzoek
2. (co)relationeel onderzoek (waar hangt veilige gehechtheid mee samen?)
3. experimenteel onderzoek (causaliteit achterhalen)
4. quasi-experimenteel (willen experimenteel onderzoek zijn, maar het is niet haalbaar.
Bijvoorbeeld met Drugs en tentamens maken)
het logische probleem van empirisch bewijs
- we kunnen een theorie niet bewijzen met empirische ondersteuning voor een hypothese
- klein stukje bewijs voor een theorie, bewijst niet gelijk de gehele theorie
- je kan wel een theorie falsificeren door een klein stukje te ontkrachten
het praktische probleem van empirisch weerleggen
- heb je je onderzoek wel goed gedaan? heb je berekeningsfout/steekproef etc.
→ conclusie: één onderzoek is nooit genoeg
college 2
soorten metingen
1. observatie
2. fysiologische maten
3. zelfrapportage
4. archief
operationaliseren
- conceptuele definitie: omschrijft het begrip zoals in een woordenboek
- operationele definitie: hoe wordt het gemeten?
1. observatie
drie beslissingen
1. setting
- naturalistisch of vooropgezet (contrived)
- tussenvorm: natuurlijke omgeving + manipulaite
→ veldexperiment is realistischer dan laboratoriumonderzoek maar toch is er een
zekere mate van controle
, 2. onderzoeker
- verborgen of openlijk?
- nadeel openlijk: reactiviteit (mensen weten wie je bent en kunnen commentaar
hebben)
- nadeel verborgen: ethische problemen (mensen weten niet dat je he observeert en de
consent is dan lastig)
- tussenoplossingen: niet alles vertellen, informanten gebruiken, indirect meten
3. methode
- welke observatiemethode
1. narratieven (exacte (?) registratie van gedrag en/of verbale uitingen
voordeel: gedetailleerd en allesomvattend
nadeel: intensief, tijdrovend en onoverzichtelijk
2. checklist (registreert de aan-of afwezigheid van vooraf bepaald gedrag
voordeel: gebruiksgemak, overzichtelijke en analyseren
nadeel: operationele definities? (doet aardig)
3. tijdsmetingen
- latency: tijd tussen twee gedragingen of een gebeurtenis en een
gedraging
1. reactietijd
2. taaktijd
3. inter-behavior latency
- duration: hoelang duurt een bepaalde gedraging
voordeel: makkelijk te meten en te analyseren
nadeel: interpretatie? betekenis?
4. beoordelingsschalen (meten de kwaliteit, intensiteit vam gedrag
voordeel: meer informatie en makkelijk te analyseren
nadeel: subjectieve definities
2. fysiologische metingen
- metingen in/aan het lichaam
- processen in het lichaam koppelen aan psychologische processen
- steeds vaker gebruikt in sociaal-wetenschappelijk onderzoek
- denk aan hartslag, bloedafname etc (zijn dit harde maten? geeft dit inzicht in de processen?)
3. zelfrapportage
belangrijke beslissingen:
1. vragenlijst of interview
2. soort vragen
- bias vragen
1. sociaal wenselijkheid
2. ja/nee zeggers
3. centrale tendentie
4. logische fout
4. archiefdata (bestaande gegevens gebruiken voor onderzoek)
- voordeel: data al beschikbaar
- nadeel: afhankelijk zijn van de data
Bachelor Pedagogische Wetenschappen
Onderzoekspracticum 1
Aantekeningen van de colleges
Luna Brama s3203948
,college 1
kenmerken van wetenschappelijke kennis
- vastomlijnde methode
criteria:
1. systematisch empirisch: toetsen aan de hand van de wereld om je heen
2. publieke verificatie (met een open keuken werken en mensen moeten kunnen zien wat je hebt
gebruikt)
3. oplosbare problemen
verschillende onderzoeken
- fundamenteel: onderzoek dat primaire bijdraagt aan wetenschappelijke kennis (hoe verloopt
de ontwikkeling van een kind?)
- toegepast: gelijk toepasbaar op de realiteit. Rekening houdend met de ontwikkeling, hoe
kunnen we pesten op school aanpakken?
1. beschrijvend onderzoek
2. (co)relationeel onderzoek (waar hangt veilige gehechtheid mee samen?)
3. experimenteel onderzoek (causaliteit achterhalen)
4. quasi-experimenteel (willen experimenteel onderzoek zijn, maar het is niet haalbaar.
Bijvoorbeeld met Drugs en tentamens maken)
het logische probleem van empirisch bewijs
- we kunnen een theorie niet bewijzen met empirische ondersteuning voor een hypothese
- klein stukje bewijs voor een theorie, bewijst niet gelijk de gehele theorie
- je kan wel een theorie falsificeren door een klein stukje te ontkrachten
het praktische probleem van empirisch weerleggen
- heb je je onderzoek wel goed gedaan? heb je berekeningsfout/steekproef etc.
→ conclusie: één onderzoek is nooit genoeg
college 2
soorten metingen
1. observatie
2. fysiologische maten
3. zelfrapportage
4. archief
operationaliseren
- conceptuele definitie: omschrijft het begrip zoals in een woordenboek
- operationele definitie: hoe wordt het gemeten?
1. observatie
drie beslissingen
1. setting
- naturalistisch of vooropgezet (contrived)
- tussenvorm: natuurlijke omgeving + manipulaite
→ veldexperiment is realistischer dan laboratoriumonderzoek maar toch is er een
zekere mate van controle
, 2. onderzoeker
- verborgen of openlijk?
- nadeel openlijk: reactiviteit (mensen weten wie je bent en kunnen commentaar
hebben)
- nadeel verborgen: ethische problemen (mensen weten niet dat je he observeert en de
consent is dan lastig)
- tussenoplossingen: niet alles vertellen, informanten gebruiken, indirect meten
3. methode
- welke observatiemethode
1. narratieven (exacte (?) registratie van gedrag en/of verbale uitingen
voordeel: gedetailleerd en allesomvattend
nadeel: intensief, tijdrovend en onoverzichtelijk
2. checklist (registreert de aan-of afwezigheid van vooraf bepaald gedrag
voordeel: gebruiksgemak, overzichtelijke en analyseren
nadeel: operationele definities? (doet aardig)
3. tijdsmetingen
- latency: tijd tussen twee gedragingen of een gebeurtenis en een
gedraging
1. reactietijd
2. taaktijd
3. inter-behavior latency
- duration: hoelang duurt een bepaalde gedraging
voordeel: makkelijk te meten en te analyseren
nadeel: interpretatie? betekenis?
4. beoordelingsschalen (meten de kwaliteit, intensiteit vam gedrag
voordeel: meer informatie en makkelijk te analyseren
nadeel: subjectieve definities
2. fysiologische metingen
- metingen in/aan het lichaam
- processen in het lichaam koppelen aan psychologische processen
- steeds vaker gebruikt in sociaal-wetenschappelijk onderzoek
- denk aan hartslag, bloedafname etc (zijn dit harde maten? geeft dit inzicht in de processen?)
3. zelfrapportage
belangrijke beslissingen:
1. vragenlijst of interview
2. soort vragen
- bias vragen
1. sociaal wenselijkheid
2. ja/nee zeggers
3. centrale tendentie
4. logische fout
4. archiefdata (bestaande gegevens gebruiken voor onderzoek)
- voordeel: data al beschikbaar
- nadeel: afhankelijk zijn van de data