Algemene economie
1
,Les 1 (22/09/2020)
Hoofdstuk 1: ontstaan van de vraag uit het consumentengedrag
1.1 Keuzeprobleem (pagina 5)
Behoefte Het aanvoelen van een tekort, zin hebben in iets.
Schaarsteprobleem Om materiële behoeften te bevredigen kopen we
goederen en diensten aan. Hierbij zullen we keuzes
moeten maken, omdat we maar over een beperkt budget
beschikken.
Veel behoeften:
o primaire behoeften (eten: levensnoodzakelijk)
o secundaire behoeften (douchen en kleren: maatschappij legt dit op)
o tertiaire behoeften (school: ook door maatschappij opgelegd + deels eigen
keuze)
Beperkt budget → keuzes maken, hangt af van verschillende factoren
- persoonlijkheid, levensstijl
- gezinssituatie
- sociale klasse
- nationaliteit
ontstaan voorkeur of preferentie
Opm. 1. materiële behoeften (water) <-> immateriële behoeften (liefde)
Opm. 2. collectieve behoeften (publieke behoeften die de overheid moeten
voorzien zoals politie, wegen) <-> individuele behoeften
Opm. 3. welvaart (wat we hebben, rijkdom) <-> welzijn (wat we zijn/hoe we ons
voelen, mate waarin behoeften bevredigd worden)
Figuur 1. Het keuzeprobleem (pagina 6)
2
,1.2 De vraagcurve (pagina 8)
Prijs hoog (P hoog), lage gevraagd hoeveelheid (Qv laag) → negatief verband
tussen P en Qv → V curve verloopt dalend → verschuiving langs of op de
vraagcurve.
Verschuiven van de vraagcurve bij een gelijkblijvende prijs.
Oorzaken: - stijging van het inkomen
- duurder worden van substitueerbaar goed
- toename voorkeur bij de consument voor een bepaald goed
verschuiving van de vraagcurve bij gelijkblijvende prijzen, door
loonsvermindering/vermeerdering of door wijziging van prijzen van een ander
product.
Bv. Wanneer je meer zakgeld krijgt of los brood kopen wordt duurder, ga je meer
broodjes kopen dus verschuift de vraagcurve bij elke prijs naar rechts.
3
, Verschuiving van de vraagcurve bij gelijkblijvende prijzen, door
voorkeursverandering.
Bv. Wanneer je op dieet bent, ga je minder broodjes kopen dus verschuift de
vraagcurve bij elke prijs naar links.
Collectieve vraag of marktvraag
= vraagcurve voor 1 individuele consument of voor de totale vraag naar een
goed.
1.3 De elasticiteit van de vraag (pagina 8)
= De verandering van de gevraagde hoeveelheid als gevolg van
o Prijswijzigingen van het goed zelf
o Reactie op een prijswijziging van een ander goed (er moet wel verband zijn
tussen beide goederen)
o Wijziging in beschikbaar inkomen
1.3.1 De prijselasticiteit van de vraag (pagina 9)
Het ene goed gaat vlugger/meer reageren op een prijswijziging (ΔP) van een ander
goed, niet alle goederen zijn even prijsgevoelig.
Prijsgevoeligheid wordt berekend door prijselasticiteitscoëfficiënt
= relatieve verandering in de gevraagde hoeveelheid (gevolg) / relatieve
verandering in de prijs (oorzaak)
Ep = ΔQv/Qv0 met ΔQv = Qv1 - Qv0
ΔP / P0 met ΔP = P1 - P0
Voorbeeld boek: pagina 9
3 mogelijkheden:
o Prijselasticiteit = -1 of absolute waarde = 1
→ unitair elastische vraag
(Qv reageert evenredig op een prijswijziging)
Als de prijs stijgt met 1% dan daalt de gevraagde hoeveelheid met 1%,
of omgekeerd.
o Prijselasticiteit < -1 of absolute waarde > 1
→ prijselastische of prijs gevoelige vraag
(Qv reageert meer dan evenredig op een prijswijziging)
Als de prijs stijgt/daalt met 1% dan daalt/stijgt de gevraagde
hoeveelheid met 2%.
4
, o 0 > prijselasticiteit > -1 of absolute waarde < 1
→ prijsinelastische of prijs ongevoelige vraag
(Qv reageert minder dan evenredig op een prijswijziging)
Als de prijs stijgt/daalt met 1% dan daalt/stijgt de gevraagde
hoeveelheid met 0,5%.
!! Bij inelastische vraag, verhoog je best je prijs (lage reactie) en bij
prijselastische vraag, verlaag je best je prijs (hoge reactie).
De elasticiteit heeft ook de helling van de vraagcurve weer:
- hoe steiler de vraagcurve, hoe inelastischer de vraag.
- Hoe vlakker de vraagcurve, hoe prijsgevoeliger de vraag.
Schema prijselasticiteit van de vraag: pagina 11
Factoren van de prijsgevoeligheid (mate van prijselasticiteit) bepalen:
Welke behoeften worden bevredigd:
- luxe of levensnoodzakelijk
- verslaving
- inkomensklasse
- mate van aanwezigheid van substituten
- aandeel in ons budget
Oefening 1 pagina 23
5
1
,Les 1 (22/09/2020)
Hoofdstuk 1: ontstaan van de vraag uit het consumentengedrag
1.1 Keuzeprobleem (pagina 5)
Behoefte Het aanvoelen van een tekort, zin hebben in iets.
Schaarsteprobleem Om materiële behoeften te bevredigen kopen we
goederen en diensten aan. Hierbij zullen we keuzes
moeten maken, omdat we maar over een beperkt budget
beschikken.
Veel behoeften:
o primaire behoeften (eten: levensnoodzakelijk)
o secundaire behoeften (douchen en kleren: maatschappij legt dit op)
o tertiaire behoeften (school: ook door maatschappij opgelegd + deels eigen
keuze)
Beperkt budget → keuzes maken, hangt af van verschillende factoren
- persoonlijkheid, levensstijl
- gezinssituatie
- sociale klasse
- nationaliteit
ontstaan voorkeur of preferentie
Opm. 1. materiële behoeften (water) <-> immateriële behoeften (liefde)
Opm. 2. collectieve behoeften (publieke behoeften die de overheid moeten
voorzien zoals politie, wegen) <-> individuele behoeften
Opm. 3. welvaart (wat we hebben, rijkdom) <-> welzijn (wat we zijn/hoe we ons
voelen, mate waarin behoeften bevredigd worden)
Figuur 1. Het keuzeprobleem (pagina 6)
2
,1.2 De vraagcurve (pagina 8)
Prijs hoog (P hoog), lage gevraagd hoeveelheid (Qv laag) → negatief verband
tussen P en Qv → V curve verloopt dalend → verschuiving langs of op de
vraagcurve.
Verschuiven van de vraagcurve bij een gelijkblijvende prijs.
Oorzaken: - stijging van het inkomen
- duurder worden van substitueerbaar goed
- toename voorkeur bij de consument voor een bepaald goed
verschuiving van de vraagcurve bij gelijkblijvende prijzen, door
loonsvermindering/vermeerdering of door wijziging van prijzen van een ander
product.
Bv. Wanneer je meer zakgeld krijgt of los brood kopen wordt duurder, ga je meer
broodjes kopen dus verschuift de vraagcurve bij elke prijs naar rechts.
3
, Verschuiving van de vraagcurve bij gelijkblijvende prijzen, door
voorkeursverandering.
Bv. Wanneer je op dieet bent, ga je minder broodjes kopen dus verschuift de
vraagcurve bij elke prijs naar links.
Collectieve vraag of marktvraag
= vraagcurve voor 1 individuele consument of voor de totale vraag naar een
goed.
1.3 De elasticiteit van de vraag (pagina 8)
= De verandering van de gevraagde hoeveelheid als gevolg van
o Prijswijzigingen van het goed zelf
o Reactie op een prijswijziging van een ander goed (er moet wel verband zijn
tussen beide goederen)
o Wijziging in beschikbaar inkomen
1.3.1 De prijselasticiteit van de vraag (pagina 9)
Het ene goed gaat vlugger/meer reageren op een prijswijziging (ΔP) van een ander
goed, niet alle goederen zijn even prijsgevoelig.
Prijsgevoeligheid wordt berekend door prijselasticiteitscoëfficiënt
= relatieve verandering in de gevraagde hoeveelheid (gevolg) / relatieve
verandering in de prijs (oorzaak)
Ep = ΔQv/Qv0 met ΔQv = Qv1 - Qv0
ΔP / P0 met ΔP = P1 - P0
Voorbeeld boek: pagina 9
3 mogelijkheden:
o Prijselasticiteit = -1 of absolute waarde = 1
→ unitair elastische vraag
(Qv reageert evenredig op een prijswijziging)
Als de prijs stijgt met 1% dan daalt de gevraagde hoeveelheid met 1%,
of omgekeerd.
o Prijselasticiteit < -1 of absolute waarde > 1
→ prijselastische of prijs gevoelige vraag
(Qv reageert meer dan evenredig op een prijswijziging)
Als de prijs stijgt/daalt met 1% dan daalt/stijgt de gevraagde
hoeveelheid met 2%.
4
, o 0 > prijselasticiteit > -1 of absolute waarde < 1
→ prijsinelastische of prijs ongevoelige vraag
(Qv reageert minder dan evenredig op een prijswijziging)
Als de prijs stijgt/daalt met 1% dan daalt/stijgt de gevraagde
hoeveelheid met 0,5%.
!! Bij inelastische vraag, verhoog je best je prijs (lage reactie) en bij
prijselastische vraag, verlaag je best je prijs (hoge reactie).
De elasticiteit heeft ook de helling van de vraagcurve weer:
- hoe steiler de vraagcurve, hoe inelastischer de vraag.
- Hoe vlakker de vraagcurve, hoe prijsgevoeliger de vraag.
Schema prijselasticiteit van de vraag: pagina 11
Factoren van de prijsgevoeligheid (mate van prijselasticiteit) bepalen:
Welke behoeften worden bevredigd:
- luxe of levensnoodzakelijk
- verslaving
- inkomensklasse
- mate van aanwezigheid van substituten
- aandeel in ons budget
Oefening 1 pagina 23
5