Nederlands Literatuur V5
SE periode 4
Poëzie
A. Literair taalgebruik:
- Stijlfiguren: tegenstelling (antithese) (111), herhaling, paradox (111), opsomming
(enumeratio), pleonasme, tautologie, hyperbool (111), retorische vraag (111),
understatement, eufemisme (111)
- Beeldspraak: beeld, object, vergelijking, metafoor, personificatie, metonymia (maker
voor product, materiaal voor product, verpakking voor inhoud, deel voor geheel,
geheel voor deel), synesthesie
- Overig: ironie (Ironie is een stijlfiguur waarbij dat wat klaarblijkelijk gezegd of getoond
wordt, afwijkt van dat wat bedoeld wordt),
Sarcasme (Onder sarcasme wordt bijtende spot verstaan)
Cynisme (Deze houding is er een van wantrouwen tegenover andermans bedoelingen,
tegen het nut van instituties of van grote ongevoeligheid voor de gevolgen van de eigen
daden),
Symboliek (Een symbool of zinnebeeld is een teken waarbij geen natuurlijke relatie
bestaat tussen de representatie van het teken en de betekenis die ermee wordt
uitgedrukt),
Woordspelingen (111)
Herhaling:
Bij een herhaling wordt hetzelfde nog eens met dezelfde woorden gezegd. Voorbeeld:
Drommels, drommels en nog eens drommels. Geld, ja, geld is het enige wat hem
bezighoudt.
Opsomming:
Een opsomming (enumeratie) noemt minstens drie zaken achter elkaar. Voorbeeld: We
kopen wijn, kaas en brood. De premier was sloom en saai en slaapverwekkend.
Pleonasme:
Bij een pleonasme wordt een eigenschap die al onlosmakelijk aan een begrip verbonden is,
ook benoemd door een ander woord. Voorbeelden van pleonasmen zijn een houten
boomstam, gele boterbloemen, de hete zon en de uiterste limiet.
Tautologie:
Een tautologie noemt een begrip tweemaal of meerdere malen, en bestaat doorgaans uit
twee of meer woorden van dezelfde woordsoort. Enkele voorbeelden zijn pais en vree,
enkel en alleen, nooit ofte nimmer, onmiddellijk en meteen en niettemin toch.
Understatement:
SE periode 4
Poëzie
A. Literair taalgebruik:
- Stijlfiguren: tegenstelling (antithese) (111), herhaling, paradox (111), opsomming
(enumeratio), pleonasme, tautologie, hyperbool (111), retorische vraag (111),
understatement, eufemisme (111)
- Beeldspraak: beeld, object, vergelijking, metafoor, personificatie, metonymia (maker
voor product, materiaal voor product, verpakking voor inhoud, deel voor geheel,
geheel voor deel), synesthesie
- Overig: ironie (Ironie is een stijlfiguur waarbij dat wat klaarblijkelijk gezegd of getoond
wordt, afwijkt van dat wat bedoeld wordt),
Sarcasme (Onder sarcasme wordt bijtende spot verstaan)
Cynisme (Deze houding is er een van wantrouwen tegenover andermans bedoelingen,
tegen het nut van instituties of van grote ongevoeligheid voor de gevolgen van de eigen
daden),
Symboliek (Een symbool of zinnebeeld is een teken waarbij geen natuurlijke relatie
bestaat tussen de representatie van het teken en de betekenis die ermee wordt
uitgedrukt),
Woordspelingen (111)
Herhaling:
Bij een herhaling wordt hetzelfde nog eens met dezelfde woorden gezegd. Voorbeeld:
Drommels, drommels en nog eens drommels. Geld, ja, geld is het enige wat hem
bezighoudt.
Opsomming:
Een opsomming (enumeratie) noemt minstens drie zaken achter elkaar. Voorbeeld: We
kopen wijn, kaas en brood. De premier was sloom en saai en slaapverwekkend.
Pleonasme:
Bij een pleonasme wordt een eigenschap die al onlosmakelijk aan een begrip verbonden is,
ook benoemd door een ander woord. Voorbeelden van pleonasmen zijn een houten
boomstam, gele boterbloemen, de hete zon en de uiterste limiet.
Tautologie:
Een tautologie noemt een begrip tweemaal of meerdere malen, en bestaat doorgaans uit
twee of meer woorden van dezelfde woordsoort. Enkele voorbeelden zijn pais en vree,
enkel en alleen, nooit ofte nimmer, onmiddellijk en meteen en niettemin toch.
Understatement: