CHEMIE-STOFFEN RONDOM ONS
Anorganische of minerale verbinden: niet-levend
Organische verbindingen of koolstofverbindingen: levend of afgestorven wezens
Deze benamingen werden in het begin de 19 de eeuw ingevoerd. In die tijd was men enkel in staat
anorganische stoffen in het laboratorium te bereiden. Het bleek destijds onmogelijk stoffen te
bereiden die men aantrof in dierlijk of plantaardig materiaal. Vandaar het onderscheiden
‘anorganische/organische stof als ‘te bereiden/niet te bereiden in het labo.
Vermeld bij elk van de volgende stoffen of het een minerale verbinding is of een koolstofverbinding
en motiveer je keuze.
Melkeiwitten:
Keukenzout:
Olijfolie:
Benzine:
Vergelijking minerale verbindingen en koolstofverbindingen
Minerale/ anorganische verbindingen Koolstofverbinding/organisch
1) Komt voort uit de levenloze natuur 1) komen voort uit de levende (of afgestorven)
2) Bevatten één of meer van de 92 natuur
elementen uit het PSE => combinaties uit 2) Bevatten steeds C en nagenoeg steeds H, soms
een uitgebreide keuze aan atoomsoorten ook O, N, S of halogenen combinaties uit een
Voorbeeld: H2, Na2CO3 beperkte keuze aan atoomsoorten.
3) Één molecule bevat een beperkt aantal Voorbeeld: C7H16 , CH3OH
atomen. 3) één molecule kan zeer veel atomen (zelfs 10 5)
Voorbeeld: Na2CO3: 6 atomen bevatten.
4) De totale verzameling minerale stoffen is Voorbeeld: C16H34 bevat 50 atomen.
minder uitgebreid 4) de totale verzameling C-verbindingen is zeer
5) Atomen zijn gebonden door: uitgebreid
- ofwel ionverbinding 5) atomen zijn nagenoeg uitsluitend gebonden
- ofwel atoombinding door een atoombinding
-ofwel metaalbinding 6) ook alcohol
KIJK P.2 (OEFENINGEN)
Oxidatiegetal of bindingsvermogen van een element
Men noemt het bindingsvermogen of oxidatiegetal (OG) van een element het aantal elektronen dat
een atoom opneemt of afgeeft wanneer het overgaat naar de ionvorm.
In een enkelvoudige stof leest men het OG onmiddellijk af uit de symbolische voorstelling.
Cl2 = 0
Cl-= -I
Na+= +I
Al= 0
O2-= -II
S8= 0
Ne= / (een edelgas)
, In een samengestelde stof berekent men het geldig OG van de elementen waarbij steeds geldt dat
het OG van:
O= -II
H= +I
F= +I
Elementen uit groep Ia (groep 1) = +I
Elementen uit groep IIa (groep 2)= +II
Elementen uit groep IIIa (groep 3)= +III
OEFENINGEN:
NaCl CO 2
S Fe +2
O2 SO 4-2
H3PO
Anorganische of minerale verbinden: niet-levend
Organische verbindingen of koolstofverbindingen: levend of afgestorven wezens
Deze benamingen werden in het begin de 19 de eeuw ingevoerd. In die tijd was men enkel in staat
anorganische stoffen in het laboratorium te bereiden. Het bleek destijds onmogelijk stoffen te
bereiden die men aantrof in dierlijk of plantaardig materiaal. Vandaar het onderscheiden
‘anorganische/organische stof als ‘te bereiden/niet te bereiden in het labo.
Vermeld bij elk van de volgende stoffen of het een minerale verbinding is of een koolstofverbinding
en motiveer je keuze.
Melkeiwitten:
Keukenzout:
Olijfolie:
Benzine:
Vergelijking minerale verbindingen en koolstofverbindingen
Minerale/ anorganische verbindingen Koolstofverbinding/organisch
1) Komt voort uit de levenloze natuur 1) komen voort uit de levende (of afgestorven)
2) Bevatten één of meer van de 92 natuur
elementen uit het PSE => combinaties uit 2) Bevatten steeds C en nagenoeg steeds H, soms
een uitgebreide keuze aan atoomsoorten ook O, N, S of halogenen combinaties uit een
Voorbeeld: H2, Na2CO3 beperkte keuze aan atoomsoorten.
3) Één molecule bevat een beperkt aantal Voorbeeld: C7H16 , CH3OH
atomen. 3) één molecule kan zeer veel atomen (zelfs 10 5)
Voorbeeld: Na2CO3: 6 atomen bevatten.
4) De totale verzameling minerale stoffen is Voorbeeld: C16H34 bevat 50 atomen.
minder uitgebreid 4) de totale verzameling C-verbindingen is zeer
5) Atomen zijn gebonden door: uitgebreid
- ofwel ionverbinding 5) atomen zijn nagenoeg uitsluitend gebonden
- ofwel atoombinding door een atoombinding
-ofwel metaalbinding 6) ook alcohol
KIJK P.2 (OEFENINGEN)
Oxidatiegetal of bindingsvermogen van een element
Men noemt het bindingsvermogen of oxidatiegetal (OG) van een element het aantal elektronen dat
een atoom opneemt of afgeeft wanneer het overgaat naar de ionvorm.
In een enkelvoudige stof leest men het OG onmiddellijk af uit de symbolische voorstelling.
Cl2 = 0
Cl-= -I
Na+= +I
Al= 0
O2-= -II
S8= 0
Ne= / (een edelgas)
, In een samengestelde stof berekent men het geldig OG van de elementen waarbij steeds geldt dat
het OG van:
O= -II
H= +I
F= +I
Elementen uit groep Ia (groep 1) = +I
Elementen uit groep IIa (groep 2)= +II
Elementen uit groep IIIa (groep 3)= +III
OEFENINGEN:
NaCl CO 2
S Fe +2
O2 SO 4-2
H3PO