orthopedagogische doelgroepen
en werkvelden 2
AJ 2021-2022
Laura Van Vaerenbergh
1E BACHELOR ORTHOPEDAGOGIE - HOGENT
,ODW2_Samenvatting.S2 – Laura Van Vaerenbergh
HOOFDSTUK 1: CLASSIFICATIE EN DIAGNOSTIEK
1 INLEIDING
2 CLASSIFICATIE
− gedragsproblemen = brede waaier van problemen van kinderen die allen min of meer storend, ongewenst of
ongewoon zijn
− leerproblemen = allerhande problemen op vlak van leren die invloed hebben op het schools functioneren
Verscheidenheid aan problemen die aanzet geven tot indeling in classificatie → nood aan ordening en indeling
Classificatie = het systematisch ordenen en groeperen van problemen op basis van gelijke eigenschappen en onderlinge relaties
→ gemeenschappelijke taal ontwikkelen ter bevordering van de onderlinge communicatie tussen professionals
→ helpt bij wetenschappelijk onderzoek naar ontstaan van problemen
Classificatie diagnostiek
Twee soorten classificatie:
1. klinisch-psychiatrische classificatiesystemen
2. empirisch-statische classificatiesystemen
2.1 KLINISCH-PSYCHIATRISCHE CLASSIFICATIESYSTEMEN
Psychiatrische stoornissen = onafhankelijke en duidelijk afgelijnde ziekte-entiteiten, met voor elke stoornis diagnostische en
differentiaal diagnostische criteria
− voldaan aan de nodige criteria = stoornis classificeren
− categoriaal = men heeft een stoornis of men heeft ze niet
Stoornissen worden geoperationaliseerd d.m.v. criteria
Bekendste classificatiesystemen:
− DSM-5: Diagnostical and Statistical Manual of Mental Disorders
· systeem om problematieken van individuen te beschrijven + te classificeren in stoorniscategorieën
· hoort bij Paradigma 3 (Medisch Model) → onderverdeling in ‘stoornis’-categorieën
· heeft geen Romeins cijfer meer
− ICD-10: International Classification of Diseases (WHO)
DSM-5 kent drie grote delen:
− deel 1: uitleg over indeling en uitgangspunten
− deel 2: omvat 22 hoofdcategorieën
− deel 3: classificaties die nog niet zijn opgenomen bv. internet gaming disorder, non suicidal self-injury
Sommige stoornissen kregen nieuwe namen
bv. oppositioneel opstandige stoornis i.p.v. oppositioneel opstandige gedragsstoornis
De DSM-5 is meer dimensioneel gerepresenteerd → dimensionele maten voor de ernst van de symptomen opgenomen
− criteria toegevoegd om ernst van de stoornis te beschrijven
− geen strikte drempel tussen ‘normaal’ en stoornis
Bv. vroeger sprak men over subtypes (= subgroepen o.b.v. verschillen in verschijningsvorm), nu spreekt men over fenotypes (=
geheel van uiterlijk zichtbare kenmerken) omdat het een meer dynamische term is
1
,ODW2_Samenvatting.S2 – Laura Van Vaerenbergh
2.2 EMPIRISCH-STATISCHE CLASSIFICATIESYSTEMEN
Uitgangspunt: psychometrische invalshoek
− steunen op uitkomsten van analyses
− gebruik maken van gedragsvragenlijsten: probleemgedrag inventariseren en beoordelen
Overgaan naar dimensioneel classificatiesysteem: elk syndroom is een continuüm waarop ieder individu een relatieve plaats
inneemt t.o.v. andere individuen bv. ASEBA
Achenbach System of Empirically Based Assasment of ASEBA = systeem dat berust op gedragsvragenlijsten (3)
1. CBCL: Child Behavioral Checklist → in te vullen door ouders
2. TRF: Teacher Report Form → in te vullen door leerkrachten
3. YSR: Youth Self Report → in te vullen door de jongere
Doel = zo veel mogelijk informatie verzamelen uit verscheidene bronnen over gedrag van individuen
CBCL heeft 8 verschillende syndroomschalen
− internaliserend: iets meer naar binnen pakken bv. angsten
− externaliserend: bv. expres spullen van iemand kapot maken
Resultaten van CBCL ingedeeld in drie categorieën:
Normaal Subklinisch Klinisch
Klinisch
Subklinisch
Normaal
Klinisch-psychiatrisch Empirisch-statisch
Categoriaal Dimensioneel
Duidelijke diagnostische criteria Gedragsvragenlijsten
Problemen beschrijven en classificeren in stoornissen Inventaris maken van probleemgedrag door beoordeling door
verschillende betrokkenen
Bv. DSM-5, ICD-10 Bv. ASEBA
→ toenadering tussen klinisch-psychiatrische en empirisch-statistische classificatiesystemen
2
, ODW2_Samenvatting.S2 – Laura Van Vaerenbergh
Wanneer val je in het hokje van een stoornis?
− er zijn significant meer problemen dan gemiddeld
− er zijn problemen op verschillende dimensies
− de problemen zijn hardnekkig en persistent, niet tijdelijk
− de problemen zijn pervasief (= er zijn symptomen in verschillende contexten)
− de problemen zijn niet leeftijdsadequaat
− de problemen leiden tot significante belemmeringen
Kritieken op DSM-5:
− labeling, hokjesdenken
− te sterk gericht op symptomen i.p.v. de persoon
− te sterk gericht op uitwendig gedrag
− geen wetenschappelijke basis voor afsprakenboek
− …
3 DIAGNOSTIEK
Diagnostiek = besluitvormingsproces met als algemeen doel via systematisch onderzoek het inzicht in de aard van een
problematiek te verhogen en van daaruit een gepast aanbod voor behandeling te formuleren
Behandeling = alle methoden die kunnen worden ingezet om een kind met een ontwikkelingsstoornis te ondersteunen
→ diagnostiek behandeling
3.1 DIAGNOSTIEK IN ENGERE EN RUIMERE ZIN
Engere zin Ruimere zin
Onderkennende of classificerende diagnostiek Handelingsgerichte diagnostiek
Formele diagnose − oorzaak
− diagnose + inschatting van therapeutische
mogelijkheden
Informatie over de ernst, het type en de prognose van een Diagnostisch proces: gegevensverzameling,
probleem hypothesevorming en -toetsing en indicatiestelling
3.2 VERSCHILLENDE SOORTEN DIAGNOSTIEK
VERKLARENDE DIAGNOSTIEK → oorzaak
− wat is de oorzaak van het probleem?
− aard van verklaringen: genetisch, neurobiologisch en neuropsychologisch
− moeilijk om éénduidige verklaring te geven
ONDERKENNENDE OF CATEGORIAAL CLASSIFICERENDE DIAGNOSTIEK → stoornis
− wat is er met dit kind aan de hand?
− screening en diagnostisch onderzoek
− beschrijvende diagnose: criteria hebben betrekking op uiterlijk waarneembaar gedrag
HANDELINGSGERICHTE DIAGNOSTIEK → begeleiding
− hoe kunnen we dit kind het best begeleiden?
− zicht op oorzaken van problemen
− op welke manier gaan we om met de problemen?
− belangrijk om te weten wat er veranderd moet worden
− zicht krijgen op zwakke en sterke kanten van het kind
− opzoek gaan naar gepaste ondersteuning
3
en werkvelden 2
AJ 2021-2022
Laura Van Vaerenbergh
1E BACHELOR ORTHOPEDAGOGIE - HOGENT
,ODW2_Samenvatting.S2 – Laura Van Vaerenbergh
HOOFDSTUK 1: CLASSIFICATIE EN DIAGNOSTIEK
1 INLEIDING
2 CLASSIFICATIE
− gedragsproblemen = brede waaier van problemen van kinderen die allen min of meer storend, ongewenst of
ongewoon zijn
− leerproblemen = allerhande problemen op vlak van leren die invloed hebben op het schools functioneren
Verscheidenheid aan problemen die aanzet geven tot indeling in classificatie → nood aan ordening en indeling
Classificatie = het systematisch ordenen en groeperen van problemen op basis van gelijke eigenschappen en onderlinge relaties
→ gemeenschappelijke taal ontwikkelen ter bevordering van de onderlinge communicatie tussen professionals
→ helpt bij wetenschappelijk onderzoek naar ontstaan van problemen
Classificatie diagnostiek
Twee soorten classificatie:
1. klinisch-psychiatrische classificatiesystemen
2. empirisch-statische classificatiesystemen
2.1 KLINISCH-PSYCHIATRISCHE CLASSIFICATIESYSTEMEN
Psychiatrische stoornissen = onafhankelijke en duidelijk afgelijnde ziekte-entiteiten, met voor elke stoornis diagnostische en
differentiaal diagnostische criteria
− voldaan aan de nodige criteria = stoornis classificeren
− categoriaal = men heeft een stoornis of men heeft ze niet
Stoornissen worden geoperationaliseerd d.m.v. criteria
Bekendste classificatiesystemen:
− DSM-5: Diagnostical and Statistical Manual of Mental Disorders
· systeem om problematieken van individuen te beschrijven + te classificeren in stoorniscategorieën
· hoort bij Paradigma 3 (Medisch Model) → onderverdeling in ‘stoornis’-categorieën
· heeft geen Romeins cijfer meer
− ICD-10: International Classification of Diseases (WHO)
DSM-5 kent drie grote delen:
− deel 1: uitleg over indeling en uitgangspunten
− deel 2: omvat 22 hoofdcategorieën
− deel 3: classificaties die nog niet zijn opgenomen bv. internet gaming disorder, non suicidal self-injury
Sommige stoornissen kregen nieuwe namen
bv. oppositioneel opstandige stoornis i.p.v. oppositioneel opstandige gedragsstoornis
De DSM-5 is meer dimensioneel gerepresenteerd → dimensionele maten voor de ernst van de symptomen opgenomen
− criteria toegevoegd om ernst van de stoornis te beschrijven
− geen strikte drempel tussen ‘normaal’ en stoornis
Bv. vroeger sprak men over subtypes (= subgroepen o.b.v. verschillen in verschijningsvorm), nu spreekt men over fenotypes (=
geheel van uiterlijk zichtbare kenmerken) omdat het een meer dynamische term is
1
,ODW2_Samenvatting.S2 – Laura Van Vaerenbergh
2.2 EMPIRISCH-STATISCHE CLASSIFICATIESYSTEMEN
Uitgangspunt: psychometrische invalshoek
− steunen op uitkomsten van analyses
− gebruik maken van gedragsvragenlijsten: probleemgedrag inventariseren en beoordelen
Overgaan naar dimensioneel classificatiesysteem: elk syndroom is een continuüm waarop ieder individu een relatieve plaats
inneemt t.o.v. andere individuen bv. ASEBA
Achenbach System of Empirically Based Assasment of ASEBA = systeem dat berust op gedragsvragenlijsten (3)
1. CBCL: Child Behavioral Checklist → in te vullen door ouders
2. TRF: Teacher Report Form → in te vullen door leerkrachten
3. YSR: Youth Self Report → in te vullen door de jongere
Doel = zo veel mogelijk informatie verzamelen uit verscheidene bronnen over gedrag van individuen
CBCL heeft 8 verschillende syndroomschalen
− internaliserend: iets meer naar binnen pakken bv. angsten
− externaliserend: bv. expres spullen van iemand kapot maken
Resultaten van CBCL ingedeeld in drie categorieën:
Normaal Subklinisch Klinisch
Klinisch
Subklinisch
Normaal
Klinisch-psychiatrisch Empirisch-statisch
Categoriaal Dimensioneel
Duidelijke diagnostische criteria Gedragsvragenlijsten
Problemen beschrijven en classificeren in stoornissen Inventaris maken van probleemgedrag door beoordeling door
verschillende betrokkenen
Bv. DSM-5, ICD-10 Bv. ASEBA
→ toenadering tussen klinisch-psychiatrische en empirisch-statistische classificatiesystemen
2
, ODW2_Samenvatting.S2 – Laura Van Vaerenbergh
Wanneer val je in het hokje van een stoornis?
− er zijn significant meer problemen dan gemiddeld
− er zijn problemen op verschillende dimensies
− de problemen zijn hardnekkig en persistent, niet tijdelijk
− de problemen zijn pervasief (= er zijn symptomen in verschillende contexten)
− de problemen zijn niet leeftijdsadequaat
− de problemen leiden tot significante belemmeringen
Kritieken op DSM-5:
− labeling, hokjesdenken
− te sterk gericht op symptomen i.p.v. de persoon
− te sterk gericht op uitwendig gedrag
− geen wetenschappelijke basis voor afsprakenboek
− …
3 DIAGNOSTIEK
Diagnostiek = besluitvormingsproces met als algemeen doel via systematisch onderzoek het inzicht in de aard van een
problematiek te verhogen en van daaruit een gepast aanbod voor behandeling te formuleren
Behandeling = alle methoden die kunnen worden ingezet om een kind met een ontwikkelingsstoornis te ondersteunen
→ diagnostiek behandeling
3.1 DIAGNOSTIEK IN ENGERE EN RUIMERE ZIN
Engere zin Ruimere zin
Onderkennende of classificerende diagnostiek Handelingsgerichte diagnostiek
Formele diagnose − oorzaak
− diagnose + inschatting van therapeutische
mogelijkheden
Informatie over de ernst, het type en de prognose van een Diagnostisch proces: gegevensverzameling,
probleem hypothesevorming en -toetsing en indicatiestelling
3.2 VERSCHILLENDE SOORTEN DIAGNOSTIEK
VERKLARENDE DIAGNOSTIEK → oorzaak
− wat is de oorzaak van het probleem?
− aard van verklaringen: genetisch, neurobiologisch en neuropsychologisch
− moeilijk om éénduidige verklaring te geven
ONDERKENNENDE OF CATEGORIAAL CLASSIFICERENDE DIAGNOSTIEK → stoornis
− wat is er met dit kind aan de hand?
− screening en diagnostisch onderzoek
− beschrijvende diagnose: criteria hebben betrekking op uiterlijk waarneembaar gedrag
HANDELINGSGERICHTE DIAGNOSTIEK → begeleiding
− hoe kunnen we dit kind het best begeleiden?
− zicht op oorzaken van problemen
− op welke manier gaan we om met de problemen?
− belangrijk om te weten wat er veranderd moet worden
− zicht krijgen op zwakke en sterke kanten van het kind
− opzoek gaan naar gepaste ondersteuning
3