Inleiding recht
Les 1: 02-09-2021
Functies van het recht:
- Normatieve functie waarden normen regels
- Geschil oplossende functie (rechtbank)
- Additionele functie (consumentenrecht, gewoonterecht etc.)
- Instrumentele functie regels ter ordening (verordeningen, APV etc.)
Positieve recht= het recht wat nu daadwerkelijk geldt
Rechtsbronnen:
- De wet (wat nu geldt in Nederland)
- Het verdrag
- Jurisprudentie
- Het gewoonterecht (het probleem moet al langere tijd spelen)
Publiekrecht (overheid en burgers) vs privaatrecht/ civiel/burgerlijk (burgers onderling)
Publiekrecht bestaat uit:
- Staatsrecht
- Bestuursrecht
- Strafrecht
- Volkenrecht
Staatsrecht: bevat regels die betreken hebben op de staat en zijn organen en regelt deze
bevoegdheden
Bestuursrecht: De mogelijkheden die overheden hebben om regulerend op te treden naar
de maatschappij en de burgers (vreemdelingen, UWV etc.)
Centraal: eerste en tweede kamer
Decentraal: gemeente en provincies
Wet in formele zin= Wordt gemaakt door de regering en de Staten-Generaal samen
Wet in Materiele zin= is voor iedere burger. Algemene verbindende regels
, Inleiding recht
Les 2
Rechtsvinding= een rechter die de wet moet uitleggen op basis van jurisprudentie, gewoonte
etc. (Hij legt het uit op eerdere casussen)
Precedentwerking= besluit van vroeger die vergeleken wordt
Interpretatiemethode:
- Wetshistorisch: kijken naar de totstandkoming van de wet (geschiedenis)
- Rechtsvergelijkend: kijken naar andere (vergelijkbare) rechtsstelsels
- Grammaticaal: Kijken naar de betekenis van woorden en woordcombinaties
- Teleologisch: kijken naar de bedoeling of het doel van de wet (bv bescherming van de
volksgezondheid)
- Systematisch: kijken naar het systeem van de wet (plaats in het rechtssysteem,
onderlinge samenhang)
Redeneerwijze:
- Naar analogie: gelijke of op elkaar gelijkende zaken worden op dezelfde wijze
geïnterpreteerd
- Naar a-contrario: Een stelling wordt verdedigd door de stelling om te keren en dan te
argumenteren dat deze negatie zeker niet juist is (voorbeeld: Jan houdt van Els. Als
dat niet zo was, dan was hij nooit met haar getrouwd)
Gewoonterecht:
- Ononderbroken
- Gedurende lange tijd
- Wordt gevolgd en herhaald
- In een bepaalde en bepaalde maatschappelijke kring
Formeel recht: regelend van aard (procesrecht): hoe, wat, wie, wanneer Strafvordering
Materieel recht: Inhoudelijk van aard: geboden en verboden Strafrecht
Formele wetgeving: herkomst = regering en Staten-Generaal (Eerste en Tweede kamer).
Materiele wetgeving: inhoud =
- algemeen verbindende voorschriften,
- die een onbepaalde groep van personen bindt
- APV, verordeningen etc.
Burgerlijk wetboek/ Algemene wet bestuursrecht zijn tevens formeel en materieel.
Dwingend recht: burgers mogen hier niet van afwijken (herkenbaar aan ‘moeten’)
Aanvullend recht: je mag afwijken van dit recht (herkenbaar aan ‘kunnen’)
Als een rechter ‘om’ gaat, betekend: de rechter past zijn mening aan en verandert zijn
uitspraak.
Les 3
Les 1: 02-09-2021
Functies van het recht:
- Normatieve functie waarden normen regels
- Geschil oplossende functie (rechtbank)
- Additionele functie (consumentenrecht, gewoonterecht etc.)
- Instrumentele functie regels ter ordening (verordeningen, APV etc.)
Positieve recht= het recht wat nu daadwerkelijk geldt
Rechtsbronnen:
- De wet (wat nu geldt in Nederland)
- Het verdrag
- Jurisprudentie
- Het gewoonterecht (het probleem moet al langere tijd spelen)
Publiekrecht (overheid en burgers) vs privaatrecht/ civiel/burgerlijk (burgers onderling)
Publiekrecht bestaat uit:
- Staatsrecht
- Bestuursrecht
- Strafrecht
- Volkenrecht
Staatsrecht: bevat regels die betreken hebben op de staat en zijn organen en regelt deze
bevoegdheden
Bestuursrecht: De mogelijkheden die overheden hebben om regulerend op te treden naar
de maatschappij en de burgers (vreemdelingen, UWV etc.)
Centraal: eerste en tweede kamer
Decentraal: gemeente en provincies
Wet in formele zin= Wordt gemaakt door de regering en de Staten-Generaal samen
Wet in Materiele zin= is voor iedere burger. Algemene verbindende regels
, Inleiding recht
Les 2
Rechtsvinding= een rechter die de wet moet uitleggen op basis van jurisprudentie, gewoonte
etc. (Hij legt het uit op eerdere casussen)
Precedentwerking= besluit van vroeger die vergeleken wordt
Interpretatiemethode:
- Wetshistorisch: kijken naar de totstandkoming van de wet (geschiedenis)
- Rechtsvergelijkend: kijken naar andere (vergelijkbare) rechtsstelsels
- Grammaticaal: Kijken naar de betekenis van woorden en woordcombinaties
- Teleologisch: kijken naar de bedoeling of het doel van de wet (bv bescherming van de
volksgezondheid)
- Systematisch: kijken naar het systeem van de wet (plaats in het rechtssysteem,
onderlinge samenhang)
Redeneerwijze:
- Naar analogie: gelijke of op elkaar gelijkende zaken worden op dezelfde wijze
geïnterpreteerd
- Naar a-contrario: Een stelling wordt verdedigd door de stelling om te keren en dan te
argumenteren dat deze negatie zeker niet juist is (voorbeeld: Jan houdt van Els. Als
dat niet zo was, dan was hij nooit met haar getrouwd)
Gewoonterecht:
- Ononderbroken
- Gedurende lange tijd
- Wordt gevolgd en herhaald
- In een bepaalde en bepaalde maatschappelijke kring
Formeel recht: regelend van aard (procesrecht): hoe, wat, wie, wanneer Strafvordering
Materieel recht: Inhoudelijk van aard: geboden en verboden Strafrecht
Formele wetgeving: herkomst = regering en Staten-Generaal (Eerste en Tweede kamer).
Materiele wetgeving: inhoud =
- algemeen verbindende voorschriften,
- die een onbepaalde groep van personen bindt
- APV, verordeningen etc.
Burgerlijk wetboek/ Algemene wet bestuursrecht zijn tevens formeel en materieel.
Dwingend recht: burgers mogen hier niet van afwijken (herkenbaar aan ‘moeten’)
Aanvullend recht: je mag afwijken van dit recht (herkenbaar aan ‘kunnen’)
Als een rechter ‘om’ gaat, betekend: de rechter past zijn mening aan en verandert zijn
uitspraak.
Les 3