7: Homeostase
1. Uitwendig en inwendig milieu
- Eencellig organisme ==> weinig beschermd tegen fysische en chemische veranderingen van het uitwendig milieu
Met extracellulair en intracellulair milieu: spijsverteringsbuis = uitwendig
- Meercellig organisme ==> cellen bij meercelligen zijn goed bestand tegen fysische en/of
chemische wijzigingen
Uitwendig milieu Inwendig milieu= extracellulair milieu Intracellulair milieu
~ Buitenomgeving organisme Lichaamsvloeistoffen: Celinhoud van de cellen van
~ Longholte ~ Bloed organen en weefsels
~ Holtes spijsverteringskanaal ~ Weefselvocht
~ Nierholte + urinewegen ~ Lymfe
~ Baarmoederhals + vagina
2. Homeostase ~ de stabiele toestand
₌ Constant houden van inwendig milieu door regelsystemen. Hangt af van de volgende factoren:
- Osmotische waarden van lichaamsvloeistoffen - pH
- O2- gehalte - bij vogels en zoogdieren: lichaamstemperatuur
- Suikergehalte in het bloed
3. Homeostatische regelsystemen
Thermometer in de woonkamer is de sensor, thermostaat is het controlecentrum
dat de gemeten temperatuur vergelijkt met de gevraagde temperatuur. Als de
temperatuur te laag is, gaat er een signaal naar de verwarmingsketel, dit is de
effector die reageert (en de temperatuur verhoogt). Via een negatieve
terugkoppeling zal de effector uitgezet worden, wanneer de gevraagde
temperatuur bereikt is.
4. Thermoregulatie bij de mens
- Een rillende spier kan tot 20x/s samentrekken (=beweging) ==> T stijgt
- Kippenvel= rechtop zetten van de haren om een dikkere laag isolerende lucht rondom lichaam te krijgen, niet efficiënt bij de
mens.
5. Vochtregulatie
Water opnemen Water afgeven
~ Voeding: 700 ml ~ Nieren: 1500 ml
~ Drinken: 1600 ml ~ Zweet: 100 ml
, ~ Metabolisme: 200 ml ~ Huid (diffusie): 350 ml
~ Logen (adem): 350 ml
~ Feces: 200 ml
5.1. Bouw van de nier
- 1 nier bevat +/- 1M nefronen
- 1 nefron bestaat uit het
lichaampje van Malpighi en
het nierbuisje. Het nierbuisje
gaat over in een
gemeenschappelijke
verzamelbuis.
5.2. Rol van de nieren bij
homeostase
Constant houden van bloed, lymfen en
weefselvocht door productie van
urine.
5.3. ADH-werking ter hoogte
van de nieren
- Bv. Een zoutrijke maaltijd --> te hoge zoutconcentratie in het bloed --> sensor in
hypothalamus --> o.a. hormonale werking --> aanmaak van ADH
- ADH= antidiuretisch hormoon, zorgt voor verhoogde permeabiliteit van de van de
verzamelbuis voor H2O door toename van het
aantal aquaporines.
- Diurese= afdrijving van vocht
- Ontstaan nadorst: alcohol --> ADH↓ -->
minder wateropname in bloed ter hoogte
van verzamelbuis --> uitdroging
1. verzamelbuis
2. weefselvocht
3. bloedvat
4. aquaporines
7. Bloeddrukregeling
7.1. Bouw van het hart
- Linker atrium: longaders komen aan
- Rechteratrium: holle aders komen aan
- Linkerkamer: aorta vertrekt naar rest van
het lichaam
1. Uitwendig en inwendig milieu
- Eencellig organisme ==> weinig beschermd tegen fysische en chemische veranderingen van het uitwendig milieu
Met extracellulair en intracellulair milieu: spijsverteringsbuis = uitwendig
- Meercellig organisme ==> cellen bij meercelligen zijn goed bestand tegen fysische en/of
chemische wijzigingen
Uitwendig milieu Inwendig milieu= extracellulair milieu Intracellulair milieu
~ Buitenomgeving organisme Lichaamsvloeistoffen: Celinhoud van de cellen van
~ Longholte ~ Bloed organen en weefsels
~ Holtes spijsverteringskanaal ~ Weefselvocht
~ Nierholte + urinewegen ~ Lymfe
~ Baarmoederhals + vagina
2. Homeostase ~ de stabiele toestand
₌ Constant houden van inwendig milieu door regelsystemen. Hangt af van de volgende factoren:
- Osmotische waarden van lichaamsvloeistoffen - pH
- O2- gehalte - bij vogels en zoogdieren: lichaamstemperatuur
- Suikergehalte in het bloed
3. Homeostatische regelsystemen
Thermometer in de woonkamer is de sensor, thermostaat is het controlecentrum
dat de gemeten temperatuur vergelijkt met de gevraagde temperatuur. Als de
temperatuur te laag is, gaat er een signaal naar de verwarmingsketel, dit is de
effector die reageert (en de temperatuur verhoogt). Via een negatieve
terugkoppeling zal de effector uitgezet worden, wanneer de gevraagde
temperatuur bereikt is.
4. Thermoregulatie bij de mens
- Een rillende spier kan tot 20x/s samentrekken (=beweging) ==> T stijgt
- Kippenvel= rechtop zetten van de haren om een dikkere laag isolerende lucht rondom lichaam te krijgen, niet efficiënt bij de
mens.
5. Vochtregulatie
Water opnemen Water afgeven
~ Voeding: 700 ml ~ Nieren: 1500 ml
~ Drinken: 1600 ml ~ Zweet: 100 ml
, ~ Metabolisme: 200 ml ~ Huid (diffusie): 350 ml
~ Logen (adem): 350 ml
~ Feces: 200 ml
5.1. Bouw van de nier
- 1 nier bevat +/- 1M nefronen
- 1 nefron bestaat uit het
lichaampje van Malpighi en
het nierbuisje. Het nierbuisje
gaat over in een
gemeenschappelijke
verzamelbuis.
5.2. Rol van de nieren bij
homeostase
Constant houden van bloed, lymfen en
weefselvocht door productie van
urine.
5.3. ADH-werking ter hoogte
van de nieren
- Bv. Een zoutrijke maaltijd --> te hoge zoutconcentratie in het bloed --> sensor in
hypothalamus --> o.a. hormonale werking --> aanmaak van ADH
- ADH= antidiuretisch hormoon, zorgt voor verhoogde permeabiliteit van de van de
verzamelbuis voor H2O door toename van het
aantal aquaporines.
- Diurese= afdrijving van vocht
- Ontstaan nadorst: alcohol --> ADH↓ -->
minder wateropname in bloed ter hoogte
van verzamelbuis --> uitdroging
1. verzamelbuis
2. weefselvocht
3. bloedvat
4. aquaporines
7. Bloeddrukregeling
7.1. Bouw van het hart
- Linker atrium: longaders komen aan
- Rechteratrium: holle aders komen aan
- Linkerkamer: aorta vertrekt naar rest van
het lichaam