Les 3: regressieve veranderingen
Vakjargon
Regressieve veranderingen Stoornissen in de structuur en functie van cellen, weefsels of
organen, als gevolg van een schadelijke prikkel (noxe) en waarbij
regressie (achteruitgang) optreedt
kan reversibel (recuperatie) of irreversibel (regeneratie,
reparatie) zijn.
Endogene noxe Schadelijke invloed van binnenuit/ ontstaat in het lichaam:
- afwijkende chromosomen of genen
*enzymdeficiëntie
*immuundeficiënties
- anatomische afwijkingen
*bv coloboma (gespleten ooglid door fout in embryonale groei).
Exogene noxe Schadelijke invloed van buitenaf/ontstaan van buitenaf:
-fysisch
-chemisch
-biologisch (bv berenklauw->brandwonde)
-voeding
Laesie Beschadiging van het weefsel in het organisme.
Verstoring vh homeostatische evenwicht in de cel, veroorzaakt door
een noxe.
Recuperatie Cel kan zichzelf herstellen na contact met een noxe.
-> reversibel.
Regeneratie Herstel, genezing
Aanmaak van cellen van dezelfde structuur
-> irreversibel.
Reparatie Cellen worden vervangen door cellen met een andere structuur en
functie, meestal door littekenweefsel.
Hypertrofie Cel neemt in grootte toe (te groot).
Hyperplasie Cellen nemen in aantal toe (te veel nieuwe cellen aangemaakt).
Metaplasie Aanpassing van een cel
Bv van cilindercelepitheel naar plaveiselcelepitheel.
Neoplasie Nieuwvorming, zowel goed- als kwaadaardige gezwellen omvat voor
zover die ontstaat door celvermeerdering (kanker).
Celdifferentiatie Overgang van een stamcel naar een specifiek celtype met een
specifieke functie.
Celrijping De uitroeiing van een cel met een specifieke celfunctie.
, Permanente cellen Zenuwcellen, spier- en hartcellen
Ze worden nooit vernieuwd. (regeneert zeer slecht/niet).
Stabiele cellen Delen zeer langzaam, onder fysiologische omstandigheden.
Kunnen scheiden wanneer nodig.
Labiele cellen Kunnen goed regeneren
Oppervlakte epitheel cellen worden steeds vervangen vanuit
diepere lagen.
Reserve cellen Zijn niet gedifferentieerd.
Littekenvorming.
Degeneratie (=D) De cel, het weefseln het orgaan… is na contact met de noxe qua
functie en/of structuur minderwaardig.
(inter-/of intracellulair)
Inbron error of metabolism Endogene genetische afwijking waarbij een bepaald enzym
ontbreekt.
(intracellulair)
Syndroom van Marfan Te weinig of abnormaal elastisch weefsel (hyperflexibel) -> worden
heel groot.
(intercellulair)
Fenylketonurie Stoornis van het aminozuurmetabolisme
Door het ontbreken van ene bepaald enzym wordt fenylalanine niet
omgezet en hoopt zich in het plasma op. Dit leidt tot een gebrekkige
geestelijke ontwikkeling. Tegenwoordig krijgen echter alle
zuigelingen een ‘hielprik’ om deze aandoening op te sporen.
Fysiologische atrofie Het afnemen in massa van cellen, weefsel, organen door/tijdens de
ontwikkeling.
(Organen verkleinen -> normaal bij verouderen).
Pathologische atrofie Het afnemen in massa van cellen, weefsel, organen door ziekte.
(veel sneller verkleinen).
Hongeratrofie Een afname van vet, spiereiwitten en hersenweefsel.
Inactiviteitsatrofie Het slinken van de spieren doordat spieren langdurig niet worden
gebruikt (kiné).
Ischemische atrofie Een afname van de bloedvoorziening (O2 tekort).
Mechanische atrofie Weefsel verminderd door kracht in massa -> veel hoesten (longen).
Necrose (=N) Een lokale, tijdens het leven ontstane dood van afzonderlijke cellen
of weefseldood.
Autolyse Zelfvertering, vertering van eiwitten door eigen enzymen (cellen
plegen zelfmoord).
Vakjargon
Regressieve veranderingen Stoornissen in de structuur en functie van cellen, weefsels of
organen, als gevolg van een schadelijke prikkel (noxe) en waarbij
regressie (achteruitgang) optreedt
kan reversibel (recuperatie) of irreversibel (regeneratie,
reparatie) zijn.
Endogene noxe Schadelijke invloed van binnenuit/ ontstaat in het lichaam:
- afwijkende chromosomen of genen
*enzymdeficiëntie
*immuundeficiënties
- anatomische afwijkingen
*bv coloboma (gespleten ooglid door fout in embryonale groei).
Exogene noxe Schadelijke invloed van buitenaf/ontstaan van buitenaf:
-fysisch
-chemisch
-biologisch (bv berenklauw->brandwonde)
-voeding
Laesie Beschadiging van het weefsel in het organisme.
Verstoring vh homeostatische evenwicht in de cel, veroorzaakt door
een noxe.
Recuperatie Cel kan zichzelf herstellen na contact met een noxe.
-> reversibel.
Regeneratie Herstel, genezing
Aanmaak van cellen van dezelfde structuur
-> irreversibel.
Reparatie Cellen worden vervangen door cellen met een andere structuur en
functie, meestal door littekenweefsel.
Hypertrofie Cel neemt in grootte toe (te groot).
Hyperplasie Cellen nemen in aantal toe (te veel nieuwe cellen aangemaakt).
Metaplasie Aanpassing van een cel
Bv van cilindercelepitheel naar plaveiselcelepitheel.
Neoplasie Nieuwvorming, zowel goed- als kwaadaardige gezwellen omvat voor
zover die ontstaat door celvermeerdering (kanker).
Celdifferentiatie Overgang van een stamcel naar een specifiek celtype met een
specifieke functie.
Celrijping De uitroeiing van een cel met een specifieke celfunctie.
, Permanente cellen Zenuwcellen, spier- en hartcellen
Ze worden nooit vernieuwd. (regeneert zeer slecht/niet).
Stabiele cellen Delen zeer langzaam, onder fysiologische omstandigheden.
Kunnen scheiden wanneer nodig.
Labiele cellen Kunnen goed regeneren
Oppervlakte epitheel cellen worden steeds vervangen vanuit
diepere lagen.
Reserve cellen Zijn niet gedifferentieerd.
Littekenvorming.
Degeneratie (=D) De cel, het weefseln het orgaan… is na contact met de noxe qua
functie en/of structuur minderwaardig.
(inter-/of intracellulair)
Inbron error of metabolism Endogene genetische afwijking waarbij een bepaald enzym
ontbreekt.
(intracellulair)
Syndroom van Marfan Te weinig of abnormaal elastisch weefsel (hyperflexibel) -> worden
heel groot.
(intercellulair)
Fenylketonurie Stoornis van het aminozuurmetabolisme
Door het ontbreken van ene bepaald enzym wordt fenylalanine niet
omgezet en hoopt zich in het plasma op. Dit leidt tot een gebrekkige
geestelijke ontwikkeling. Tegenwoordig krijgen echter alle
zuigelingen een ‘hielprik’ om deze aandoening op te sporen.
Fysiologische atrofie Het afnemen in massa van cellen, weefsel, organen door/tijdens de
ontwikkeling.
(Organen verkleinen -> normaal bij verouderen).
Pathologische atrofie Het afnemen in massa van cellen, weefsel, organen door ziekte.
(veel sneller verkleinen).
Hongeratrofie Een afname van vet, spiereiwitten en hersenweefsel.
Inactiviteitsatrofie Het slinken van de spieren doordat spieren langdurig niet worden
gebruikt (kiné).
Ischemische atrofie Een afname van de bloedvoorziening (O2 tekort).
Mechanische atrofie Weefsel verminderd door kracht in massa -> veel hoesten (longen).
Necrose (=N) Een lokale, tijdens het leven ontstane dood van afzonderlijke cellen
of weefseldood.
Autolyse Zelfvertering, vertering van eiwitten door eigen enzymen (cellen
plegen zelfmoord).