BCM32
Cristy Verzijl
Lesweek 2 Enzymen
Koolstof metabolisme Het evenwicht tussen substraat en
product
Glycolyse S→P
Glycogenese
Glycogenolyse
Fermentatie
Pentose Fosfaat route
Gluconeogene
De Gibbse energieverandering in een systeem
Reactie: S ↔ P
ΔG = Gp‐ Gs
ΔG < 0 reactie verloopt spontaan (exergonisch)
ΔG = 0 evenwicht
ΔG > 0 reactie verloopt niet spontaan, toevoer van vrije energie nodig (endergonisch)
Snelheid van de reactie is afhankelijk van de energiebarriere tussen het substraat en het
product.
Enzymen: reactie kinetiek
E + S ↔ SE ↔ PE ↔ E + P
Het enige dat een enzym doet is de activeringsenergie
verlagen en daardoor de reactie versnellen.
Hoe werkt een enzym
Vertoont specificiteit voor het substraat
Zorgt voor een comfortabele pasvorm voor het transitiestadium.
Substraatbinding is exergonisch
De energie die erbij vrijkomt (bindingsenergie) verlaagt de activeringsenergie en
vergroot daarmee de reactiesnelheid
Enzymen beïnvloeden niet het evenwicht van de reactie
Enzymen worden niet verbruikt tijdens de reactie
Sommige enzymen hebben een of meerdere cofactor(en) nodig
Voedselinname
Voedsel word afgebroken tot kleinere
moleculen. De alvleesklier gaat insuline maken
zodra voedsel word ingenomen. Glucose gaat
van darm naar het hart, de hersenen en de
lever (vooral anabole processen). In de lever
word glucose-6-fosfaat gemaakt van glucose
en daarna word er glycogeen van gemaakt. Bij
voedselinname stijgt dus het glycogeen
gehalte.
6
, Glucose kan worden omgezet in vetten of voor de opbouw van eiwitten in spieren worden
gebruikt. In spieren kan ook glycogeen worden gemaakt.
Na langdurig geen voedselinname: lipolyse: maken van losse vetzuren (energie)
Gluco-neogenase: opnieuw maken van glucose uit aminozuren, gebruikt bij melkzuur
glycolyse 2 CO2
Glucose 2 pyruvaat citroenzuur 4 CO2
C6H12O6 + 6 O2 ↔ 6 CO2 + 6 H2O
Geen voedselinname
Alvleesklier gaat glycagon aanmaken, insuline gehalte neemt af. Opgebouwde glycogeen
in de lever en spieren worden afgebroken tot losse glucose cellen.
Glycolyse
ΔG’0 (kJ/mol)
‐ 16.7
1.7
‐ 14.2
23.8
7.5
6.3
-18.5
4.4
7.5
‐ 31.4
Deel a: investeringsfase, deel b: uitbetaalfase
6
Cristy Verzijl
Lesweek 2 Enzymen
Koolstof metabolisme Het evenwicht tussen substraat en
product
Glycolyse S→P
Glycogenese
Glycogenolyse
Fermentatie
Pentose Fosfaat route
Gluconeogene
De Gibbse energieverandering in een systeem
Reactie: S ↔ P
ΔG = Gp‐ Gs
ΔG < 0 reactie verloopt spontaan (exergonisch)
ΔG = 0 evenwicht
ΔG > 0 reactie verloopt niet spontaan, toevoer van vrije energie nodig (endergonisch)
Snelheid van de reactie is afhankelijk van de energiebarriere tussen het substraat en het
product.
Enzymen: reactie kinetiek
E + S ↔ SE ↔ PE ↔ E + P
Het enige dat een enzym doet is de activeringsenergie
verlagen en daardoor de reactie versnellen.
Hoe werkt een enzym
Vertoont specificiteit voor het substraat
Zorgt voor een comfortabele pasvorm voor het transitiestadium.
Substraatbinding is exergonisch
De energie die erbij vrijkomt (bindingsenergie) verlaagt de activeringsenergie en
vergroot daarmee de reactiesnelheid
Enzymen beïnvloeden niet het evenwicht van de reactie
Enzymen worden niet verbruikt tijdens de reactie
Sommige enzymen hebben een of meerdere cofactor(en) nodig
Voedselinname
Voedsel word afgebroken tot kleinere
moleculen. De alvleesklier gaat insuline maken
zodra voedsel word ingenomen. Glucose gaat
van darm naar het hart, de hersenen en de
lever (vooral anabole processen). In de lever
word glucose-6-fosfaat gemaakt van glucose
en daarna word er glycogeen van gemaakt. Bij
voedselinname stijgt dus het glycogeen
gehalte.
6
, Glucose kan worden omgezet in vetten of voor de opbouw van eiwitten in spieren worden
gebruikt. In spieren kan ook glycogeen worden gemaakt.
Na langdurig geen voedselinname: lipolyse: maken van losse vetzuren (energie)
Gluco-neogenase: opnieuw maken van glucose uit aminozuren, gebruikt bij melkzuur
glycolyse 2 CO2
Glucose 2 pyruvaat citroenzuur 4 CO2
C6H12O6 + 6 O2 ↔ 6 CO2 + 6 H2O
Geen voedselinname
Alvleesklier gaat glycagon aanmaken, insuline gehalte neemt af. Opgebouwde glycogeen
in de lever en spieren worden afgebroken tot losse glucose cellen.
Glycolyse
ΔG’0 (kJ/mol)
‐ 16.7
1.7
‐ 14.2
23.8
7.5
6.3
-18.5
4.4
7.5
‐ 31.4
Deel a: investeringsfase, deel b: uitbetaalfase
6