Limerick: een rijm waarbij de volgorde AABBA word gebruikt. Dit bestaat uit 5 zinnen waarbij
het laatste woord moet rijmen op een ander woord. A rijmt dan op A en B rijmt op B. De
zinnen mogen niet alle vijf op elkaar rijmen. Bijvoorbeeld:
Mariniers willen niet verkassen
Vlissingen zou hen niet passen
Wat is er toch aan de hand
In dit nukkige postzegelland
Niets meer dat ons kan verrassen
Alliteratie: een rijm waarbij bijna ieder woord met dezelfde letter begint. Bijvoorbeeld:
Liesje leerde lotje lopen langs de lange lindelaan.
Onomatopee: je legt geluiden uit in woorden. Bijvoorbeeld: de kat miauwt.
Understatement: iets word minder sterk, groot of ernstig vertelt dan men in werkelijkheid
vind: Je huis heeft een lichte schade opgelopen (je huis is helemaal afgebrand)
Litotes: je ontkent of verkleint iets met het doel om een sterke bevestiging uit te drukken.
Bijvoorbeeld:
- mijn vriend is niet vies van pizza (hij is gek op pizza).
- dat is geen slecht idee (het is een goed idee).
Hyperbool: een sterke overdrijving. Bijvoorbeeld: ik sta nog liever iedere dag om 5 uur op
dan dat ik naar school ga.
Anagram: een woord dat volledig bestaat uit letters van een ander woord. Bijvoorbeeld:
rooksein kniesoor
Eufemisme: iets word vriendelijker of minder onaangenaam voorgesteld dan het in
werkelijkheid is: dood heengaand
Paradox: Een paradox bestaat uit twee dingen die op het eerste gezicht niet kunnen, maar
als je er dieper over nadenkt toch wel kunnen. Het wordt gebruikt om de tekst te
verlevendigen. Bijvoorbeeld: - zeg nooit nooit
- Schrijven is de kunst van het weglaten.
Retorische vraag: word gesteld als een vraag maar word bedoelt als een mededeling. Je
verwacht geen antwoord terug. Bijvoorbeeld:
We moeten de opwarming van de aarde stoppen, dat vindt u toch ook?