Domein A: Vaardigheden
Een procentueel aandeel berekenen (deel / geheel) x 100%
Een procentuele verandering berekenen ((nieuw – oud) / oud) x 100%
Een verandering in procentpunt berekenen %nieuw - %oud
Het verschil tussen procent en promille 0,1% = 1‰
Absolute getallen als indexcijfers schrijven Indexcijfer = (waarde / basiswaarde)
x 100
Procentuele veranderingen als indexcijfers. Stel basis = 100
Bereken eindwaarde
Vergelijk met 100
Het basisjaar verleggen van een reeks Indexcijfer = (waarde / basiswaarde)
indexcijfers x 100
,Domein D: Markt
De betalingsbereidheid is de maximale prijs die een vrager bereid is te betalen voor één
eenheid van een goed. De individuele vraaglijn weergeeft de gevraagde hoeveelheid van
één vrager bij uiteenlopende prijzen en een collectieve vraaglijn die van het collectief (alle
individuen bij elkaar opgeteld). Hoe hoger de prijs, hoe kleiner de gevraagde hoeveelheid.
De collectieve vraaglijn kan verschuiven als gevolg van verandering van het inkomen, de
behoeften, prijzen van andere goederen en het aantal vragers.
De prijselasticiteit is de maat voor de relatieve verandering van de gevraagde hoeveelheid
als gevolg van een relatieve prijsverandering. Formule (ezelsbruggetje: QuarterPounder is
Q/p): procentuele verandering gevraagde hoeveelheid / procentuele verandering prijs. Bij
deze formule moet je bij de percentages het getal invullen (dus geen indexcijfers). Als de
prijselasticiteit tussen -1 en 0 ligt is de vraag inelastisch: een verandering van de prijs heeft
weinig invloed op de verandering van de gevraagde hoeveelheid. Als de prijs van een
inelastisch goed wordt verhoogt, dan stijgt de omzet. Als prijselasticiteit lager is dan -1, dan
is de vraag elastisch: een verandering van de prijs heeft veel invloed op de verandering van
de gevraagde hoeveelheid. Als de prijs van een elastisch goed wordt verhoogt, dan daalt de
omzet.
De inkomenselasticiteit is de maat voor de relatieve verandering van de gevraagde
hoeveelheid als gevolg van een relatieve inkomensverandering. Formule: procentuele
verandering gevraagde hoeveelheid / procentuele verandering inkomen. De goederen zijn
inelastisch als de elasticiteit tussen -1 en 0 ligt en elastisch als die lager is dan -1 of groter
dan 1. Bij inferieure goederen is de inkomenselasticiteit kleiner dan 0. Er wordt minder
gekocht als het inkomen stijgt. Bij normale / primaire goederen is de inkomenselasticiteit
tussen 0 en 1. Ze voorzien in de eerste levensbehoefte van de consument. En bij
luxegoederen is de inkomenselasticiteit groter dan 1. Het product wordt meer gekocht, als
het inkomen stijgt.
Bij de kruiselingse elasticiteit gaat het om de mate waarin de vraag naar een product
reageert op een prijsverandering van een ander product. Complementaire goederen
hebben een positieve elasticiteit, zij kunnen alleen met elkaar een behoefte bevredigen.
Substitutiegoederen hebben een negatieve elasticiteit, zij voorzien de bevrediging van
dezelfde behoefte.
De individuele aanbodlijn weergeeft het verband tussen de aangeboden hoeveelheid van
één aanbieder bij uiteenlopende prijzen en de collectieve aanbodlijn die van het collectief
(alle individuen bij elkaar opgeteld). De collectieve aanbodlijn kan verschuiven als gevolg van
een verandering van de prijzen van productiefactoren, technische ontwikkeling en het aantal
aanbieders. Maar ook als gevolg van heffingen en subsidies.
De omzet / totale opbrengst is prijs x afzet. De gemiddelde opbrengsten (GO) is gelijk
aan de prijs van het product. De totale kosten (TK) zijn onder te verdelen in vaste en
variabele kosten. De gemiddelde totale kosten (GTK) zijn de totale kosten per
geproduceerde eenheid. De marginale kosten (MK) zijn de kosten die gepaard gaan met de
uitbreiding van de productie met één eenheid. Deze kosten kunnen bij een
hoeveelheidsaanpassing veranderen, met als gevolg een verandering in de individuele
aanbodlijn. De producent streeft namelijk altijd naar maximale opbrengst of maximale omzet.
, Als de producent naar maximale opbrengst streeft, is MO gelijk aan MK. En bij maximale
omzet is TO gelijk aan TK, ook wel het break-evenpunt genoemd.
Je kunt MO / TO berekenen door de afgeleiden te nemen van MK / TK.
Bij vrije marktwerking is de markt vrij om (dankzij de onzichtbare hand van het
marktmechanisme) tot een marktevenwicht te komen. Het komt vaak tot stand door vrije
prijsvorming: het samenspel tussen vraag en aanbod. Bij het marktevenwicht is de
gevraagde en aangeboden hoeveelheid gelijk bij de evenwichtsprijs. Bij een
aanbodoverschot of een vraagoverschot zal de prijs veranderen tot de evenwichtsprijs.
Er zijn verschillende marktvormen, waarvan je een onderscheid kunt maken op basis van
het aantal marktpartijen, heterogeniteit van goederen en toetredingsmogelijkheden.
Volkomen concurrentie / volledige mededinging: veel aanbieders, een homogeen goed,
transparante markt en vrije toe- en uittreding. Het marktevenwicht wordt bepaald door het
snijpunt van vraag en aanbod, hierdoor is MO ook de marktprijs. De producent past de
hoeveelheid op de gegeven prijs aan en is daarom een hoeveelheidsaanpasser.
Monopolistische concurrentie: veel aanbieders en heterogene goederen. De producent
kan zelf de prijs van het product bepalen en is daarom een prijszetter,
Oligopolie: weinig aanbieders en een homogeen of heterogeen goed. De producent heeft,
door weinig concurrentie, een grote invloed op de prijs en is daarom een prijszetters.
Monopolie: één aanbieder. Omdat er geen concurrentie is kan de enige aanbieder zelf de
prijs van een product bepalen. De producent is een prijszetter. Voor maximale winst (MO =
MK) doet de aanbieder aan prijsdiscriminatie, hierdoor roomt een deel van het
consumentensurplus af. Er zijn wel twee voorwaarden: onderlinge doorverkoop is niet
mogelijk en consumenten verschillen in betalingsbereidheid.
De marktmacht geeft aan in welke mate een onderneming zich onafhankelijk van andere
marktspelers kan gedragen. Wanneer een onderneming veel marktmacht heeft, noemen we
dit een dominante aanbieder. Een monopolist heeft alle marktmacht en op een markt met
meerdere aanbieders bepaald het marktaandeel de marktmacht van de aanbieders. Door
marktmacht is er sprake van prijszetting, met als gevolg een stijging van het
producentensurplus (wat ten koste gaat van het totale surplus). De Harberger driehoek
geeft het welvaartsverlies weer, ofwel het verloren surplus, wat optreed als de overheid
ingrijpt op de markt of als er geen efficiënte marktvorm op de markt is.
Het consumentensurplus is het verschil tussen de marktprijs en de betalingsbereidheid van
vragers die bereid zijn meer te betalen dan die marktprijs. Het producentensurplus is het
verschil tussen de marktprijs en de prijs waartegen alle producenten bereid zijn aan te
bieden. En het totale surplus is de optelsom van het consumentensurplus en het
producentensurplus en wordt ook wel de maatschappelijke welvaart genoemd. Hoe hoger
het totale surplus, hoe hoger de welvaart. Tevens is het totale surplus een maat voor het
marktresultaat.
Als de verdeling van consumenten- en producentensurplus optimaal is, wordt het pareto-
efficiënt genoemd. De bestaande situatie kan niet zo veranderen dat er niemand slechter en
minimaal één persoon er beter van wordt.
Externe effecten zijn gevolgen van de productie die buiten de markt om werken, waardoor
de vrije markt faalt. Een positief extern effect is een effect van productie dat buiten de
Een procentueel aandeel berekenen (deel / geheel) x 100%
Een procentuele verandering berekenen ((nieuw – oud) / oud) x 100%
Een verandering in procentpunt berekenen %nieuw - %oud
Het verschil tussen procent en promille 0,1% = 1‰
Absolute getallen als indexcijfers schrijven Indexcijfer = (waarde / basiswaarde)
x 100
Procentuele veranderingen als indexcijfers. Stel basis = 100
Bereken eindwaarde
Vergelijk met 100
Het basisjaar verleggen van een reeks Indexcijfer = (waarde / basiswaarde)
indexcijfers x 100
,Domein D: Markt
De betalingsbereidheid is de maximale prijs die een vrager bereid is te betalen voor één
eenheid van een goed. De individuele vraaglijn weergeeft de gevraagde hoeveelheid van
één vrager bij uiteenlopende prijzen en een collectieve vraaglijn die van het collectief (alle
individuen bij elkaar opgeteld). Hoe hoger de prijs, hoe kleiner de gevraagde hoeveelheid.
De collectieve vraaglijn kan verschuiven als gevolg van verandering van het inkomen, de
behoeften, prijzen van andere goederen en het aantal vragers.
De prijselasticiteit is de maat voor de relatieve verandering van de gevraagde hoeveelheid
als gevolg van een relatieve prijsverandering. Formule (ezelsbruggetje: QuarterPounder is
Q/p): procentuele verandering gevraagde hoeveelheid / procentuele verandering prijs. Bij
deze formule moet je bij de percentages het getal invullen (dus geen indexcijfers). Als de
prijselasticiteit tussen -1 en 0 ligt is de vraag inelastisch: een verandering van de prijs heeft
weinig invloed op de verandering van de gevraagde hoeveelheid. Als de prijs van een
inelastisch goed wordt verhoogt, dan stijgt de omzet. Als prijselasticiteit lager is dan -1, dan
is de vraag elastisch: een verandering van de prijs heeft veel invloed op de verandering van
de gevraagde hoeveelheid. Als de prijs van een elastisch goed wordt verhoogt, dan daalt de
omzet.
De inkomenselasticiteit is de maat voor de relatieve verandering van de gevraagde
hoeveelheid als gevolg van een relatieve inkomensverandering. Formule: procentuele
verandering gevraagde hoeveelheid / procentuele verandering inkomen. De goederen zijn
inelastisch als de elasticiteit tussen -1 en 0 ligt en elastisch als die lager is dan -1 of groter
dan 1. Bij inferieure goederen is de inkomenselasticiteit kleiner dan 0. Er wordt minder
gekocht als het inkomen stijgt. Bij normale / primaire goederen is de inkomenselasticiteit
tussen 0 en 1. Ze voorzien in de eerste levensbehoefte van de consument. En bij
luxegoederen is de inkomenselasticiteit groter dan 1. Het product wordt meer gekocht, als
het inkomen stijgt.
Bij de kruiselingse elasticiteit gaat het om de mate waarin de vraag naar een product
reageert op een prijsverandering van een ander product. Complementaire goederen
hebben een positieve elasticiteit, zij kunnen alleen met elkaar een behoefte bevredigen.
Substitutiegoederen hebben een negatieve elasticiteit, zij voorzien de bevrediging van
dezelfde behoefte.
De individuele aanbodlijn weergeeft het verband tussen de aangeboden hoeveelheid van
één aanbieder bij uiteenlopende prijzen en de collectieve aanbodlijn die van het collectief
(alle individuen bij elkaar opgeteld). De collectieve aanbodlijn kan verschuiven als gevolg van
een verandering van de prijzen van productiefactoren, technische ontwikkeling en het aantal
aanbieders. Maar ook als gevolg van heffingen en subsidies.
De omzet / totale opbrengst is prijs x afzet. De gemiddelde opbrengsten (GO) is gelijk
aan de prijs van het product. De totale kosten (TK) zijn onder te verdelen in vaste en
variabele kosten. De gemiddelde totale kosten (GTK) zijn de totale kosten per
geproduceerde eenheid. De marginale kosten (MK) zijn de kosten die gepaard gaan met de
uitbreiding van de productie met één eenheid. Deze kosten kunnen bij een
hoeveelheidsaanpassing veranderen, met als gevolg een verandering in de individuele
aanbodlijn. De producent streeft namelijk altijd naar maximale opbrengst of maximale omzet.
, Als de producent naar maximale opbrengst streeft, is MO gelijk aan MK. En bij maximale
omzet is TO gelijk aan TK, ook wel het break-evenpunt genoemd.
Je kunt MO / TO berekenen door de afgeleiden te nemen van MK / TK.
Bij vrije marktwerking is de markt vrij om (dankzij de onzichtbare hand van het
marktmechanisme) tot een marktevenwicht te komen. Het komt vaak tot stand door vrije
prijsvorming: het samenspel tussen vraag en aanbod. Bij het marktevenwicht is de
gevraagde en aangeboden hoeveelheid gelijk bij de evenwichtsprijs. Bij een
aanbodoverschot of een vraagoverschot zal de prijs veranderen tot de evenwichtsprijs.
Er zijn verschillende marktvormen, waarvan je een onderscheid kunt maken op basis van
het aantal marktpartijen, heterogeniteit van goederen en toetredingsmogelijkheden.
Volkomen concurrentie / volledige mededinging: veel aanbieders, een homogeen goed,
transparante markt en vrije toe- en uittreding. Het marktevenwicht wordt bepaald door het
snijpunt van vraag en aanbod, hierdoor is MO ook de marktprijs. De producent past de
hoeveelheid op de gegeven prijs aan en is daarom een hoeveelheidsaanpasser.
Monopolistische concurrentie: veel aanbieders en heterogene goederen. De producent
kan zelf de prijs van het product bepalen en is daarom een prijszetter,
Oligopolie: weinig aanbieders en een homogeen of heterogeen goed. De producent heeft,
door weinig concurrentie, een grote invloed op de prijs en is daarom een prijszetters.
Monopolie: één aanbieder. Omdat er geen concurrentie is kan de enige aanbieder zelf de
prijs van een product bepalen. De producent is een prijszetter. Voor maximale winst (MO =
MK) doet de aanbieder aan prijsdiscriminatie, hierdoor roomt een deel van het
consumentensurplus af. Er zijn wel twee voorwaarden: onderlinge doorverkoop is niet
mogelijk en consumenten verschillen in betalingsbereidheid.
De marktmacht geeft aan in welke mate een onderneming zich onafhankelijk van andere
marktspelers kan gedragen. Wanneer een onderneming veel marktmacht heeft, noemen we
dit een dominante aanbieder. Een monopolist heeft alle marktmacht en op een markt met
meerdere aanbieders bepaald het marktaandeel de marktmacht van de aanbieders. Door
marktmacht is er sprake van prijszetting, met als gevolg een stijging van het
producentensurplus (wat ten koste gaat van het totale surplus). De Harberger driehoek
geeft het welvaartsverlies weer, ofwel het verloren surplus, wat optreed als de overheid
ingrijpt op de markt of als er geen efficiënte marktvorm op de markt is.
Het consumentensurplus is het verschil tussen de marktprijs en de betalingsbereidheid van
vragers die bereid zijn meer te betalen dan die marktprijs. Het producentensurplus is het
verschil tussen de marktprijs en de prijs waartegen alle producenten bereid zijn aan te
bieden. En het totale surplus is de optelsom van het consumentensurplus en het
producentensurplus en wordt ook wel de maatschappelijke welvaart genoemd. Hoe hoger
het totale surplus, hoe hoger de welvaart. Tevens is het totale surplus een maat voor het
marktresultaat.
Als de verdeling van consumenten- en producentensurplus optimaal is, wordt het pareto-
efficiënt genoemd. De bestaande situatie kan niet zo veranderen dat er niemand slechter en
minimaal één persoon er beter van wordt.
Externe effecten zijn gevolgen van de productie die buiten de markt om werken, waardoor
de vrije markt faalt. Een positief extern effect is een effect van productie dat buiten de