Leerjaar 1, blok D (2020/2021)
HC7 Medisch Bloedvaten
Tentamenvragen:
1. Waar zijn de autonome centra voor de hartfunctie te vinden? Deze bevinden zich in:
a. Hartpsierweefsel
b. Hartritmecentra van medulla oblongata
c. Hersenschors
2. Het hart bevindt zich in deze tekening in de:
a. Systolische fase
b. Diastolische fase
3. Wat geeft deze grafiek weer?
a. Actiepotentiaal zoals deze loopt over de axonen die het hart aansturen
b. Actiepotentiaal over één hartspiercel
c. Contractiekracht zoals deze wordt opgebouwd over een hartspiercel
d. Contractiekracht over het hele hart
4. Welke ionen veroorzaken de verandering bij 1?
a. Natrium-ionen
b. Calcium-ionen
c. Kalium-ionen
5. Wat verwacht je bij rek of scheuren van chordae tendineae of papilspiertjes?
a. Bloed zal van de ventrikels naar de atria stromen
b. Bloed zal van de aorta en de truncus pulmonalis naar de ventrikels stromen
, 6. Wanneer is de aandoening hierboven het meest manifest?
a. Tijdens de systole
b. Tijdens de diastole
7. Wanneer fenylefrine per ongeluk een systemisch effect heeft, wat kan er dan met het
hart gebeuren?
a. Tachycardie
b. Bradycardie
8. Het QRS-complex van het ECG ontstaat doordat de:
a. Atria depolariseren
b. Ventrikels depolariseren
c. Ventrikels repolariseren
d. Atria repolariseren
9. Bij hoge inspanning neemt het hart minuut volume (HMV) toe tot maximaal zo’n 40
liter per minuut. Waarom zal het MVH niet oneindig kunnen toenemen?
a. Naarmate de hartfrequentie toeneemt zal de vullingstijd van het hart afnemen
b. Hartritmecentra passen de hartfrequentie aan
c. Arteriële bloedvatenstelsel kan niet meer bloed opnemen
Antwoorden tentamenvragen:
1. B
2. A
3. B
4. A
5. A
6. A
7. A
8. B
9. A
HC7 Medisch Bloedvaten
Tentamenvragen:
1. Waar zijn de autonome centra voor de hartfunctie te vinden? Deze bevinden zich in:
a. Hartpsierweefsel
b. Hartritmecentra van medulla oblongata
c. Hersenschors
2. Het hart bevindt zich in deze tekening in de:
a. Systolische fase
b. Diastolische fase
3. Wat geeft deze grafiek weer?
a. Actiepotentiaal zoals deze loopt over de axonen die het hart aansturen
b. Actiepotentiaal over één hartspiercel
c. Contractiekracht zoals deze wordt opgebouwd over een hartspiercel
d. Contractiekracht over het hele hart
4. Welke ionen veroorzaken de verandering bij 1?
a. Natrium-ionen
b. Calcium-ionen
c. Kalium-ionen
5. Wat verwacht je bij rek of scheuren van chordae tendineae of papilspiertjes?
a. Bloed zal van de ventrikels naar de atria stromen
b. Bloed zal van de aorta en de truncus pulmonalis naar de ventrikels stromen
, 6. Wanneer is de aandoening hierboven het meest manifest?
a. Tijdens de systole
b. Tijdens de diastole
7. Wanneer fenylefrine per ongeluk een systemisch effect heeft, wat kan er dan met het
hart gebeuren?
a. Tachycardie
b. Bradycardie
8. Het QRS-complex van het ECG ontstaat doordat de:
a. Atria depolariseren
b. Ventrikels depolariseren
c. Ventrikels repolariseren
d. Atria repolariseren
9. Bij hoge inspanning neemt het hart minuut volume (HMV) toe tot maximaal zo’n 40
liter per minuut. Waarom zal het MVH niet oneindig kunnen toenemen?
a. Naarmate de hartfrequentie toeneemt zal de vullingstijd van het hart afnemen
b. Hartritmecentra passen de hartfrequentie aan
c. Arteriële bloedvatenstelsel kan niet meer bloed opnemen
Antwoorden tentamenvragen:
1. B
2. A
3. B
4. A
5. A
6. A
7. A
8. B
9. A