Klinisch Redeneren
Klinisch redeneren = Log(oped)isch redeneren, bij alle fasen van het methodisch handelen.
Interpreteren, analyseren, evalueren, concluderen, verklaren, zelfregulatie, cliëntperspectief.
Houding kritisch redeneren
- Uit gewoonte nieuwsgierig.
- Goed geïnformeerd willen zijn.
- Een open houding.
- Flexibel zijn.
- Bewust van mogelijke persoonlijke voordelen.
- Zorgvuldig bij nemen van beslissingen.
- Bereid om te heroverwegen.
- Ordelijk in complexe zaken.
- Sceptisch, maar niet cynisch.
- Open-minded, maar waait niet met alle winden mee.
- Analytisch, maar legt niet op alle slakken zout door voortdurend te relativeren.
- Besluitvaardig, maar niet koppig.
- Evaluatief ingesteld, maar niet veroordelend.
- Duidelijk in zijn visie, maar is daarbij niet aanmatigend.
Valkuilen
1. Cirkelredenering: Herhaling standpunt.
* Ik ben de baas, omdat ik het voor het zeggen heb.
2. Verkeerde vergelijking: Appels met peren vergelijken.
* Waarom mag ik mijn pet niet ophouden, Maxima heeft ook altijd een hoed op.
3. Overhaaste generalisatie.
* Ik ga niet in een groepje met iemand die ver weg woont, want die heeft nooit tijd.
4. Onterechte causaliteit.
* Ze was in mei op vakantie met Rob, ze is in mei zwanger geworden, ze is zwanger van Rob.
5. Geen bewijs: Argument van onwetendheid.
* Je kunt niet bewijzen dat therapie X e ectief is, dus therapie X is niet e ectief.
Pagina 1
ff ff
, Klinisch Redeneren
Vaardigheden kritisch redeneren
1. Interpreteren: Het begrijpen en weergeven van een bepaald probleem, een gebeurtenis, een
situatie of een ervaring.
- Vanuit welke invalshoeken kan dit probleem benaderd worden?
- Wat is hier de hoofdzaak en wat zijn de bijzaken?
- Wat betekent … precies?
- Hoe verhoudt deze informatie zich tot het probleem?
- Wat maakt het probleem complex?
- Welke factoren hebben invloed op dit probleem?
- Hoe kan ik het probleem in eigen woorden weergeven?
- In welke situatie deed zich een vergelijkbaar probleem voor?
Aspecten
Categoriseren (ordenen)
Decoderen (begrijpen)
Verduidelijken van informatie (uitleggen)
2. Analyseren: Het onderzoeken van aannames/ideeën, het detecteren en vervolgens analyseren
van argumenten.
- Wat is de bedoeling van het standpunt van…?
- Hoe heb je de gegevens gebruikt om tot je bewering te komen?
- Welke bronnen heb je voor je argumentatie gebruikt? Hoe verschillen de bronnen van elkaar?
- Welke gegevens uit de bronnen heb je (niet) gebruikt en waarom (niet)?
- Welke alternatieve argumentatie is denkbaar?
- Zou je buiten deze setting een andere argumentatie gebruiken?
- Welke informatie zou je nodig hebben om je argumentatie beter te onderbouwen?
Aspecten
Ideeën onderzoeken
Argumenten detecteren
Argumenten analyseren
Pagina 2
Klinisch redeneren = Log(oped)isch redeneren, bij alle fasen van het methodisch handelen.
Interpreteren, analyseren, evalueren, concluderen, verklaren, zelfregulatie, cliëntperspectief.
Houding kritisch redeneren
- Uit gewoonte nieuwsgierig.
- Goed geïnformeerd willen zijn.
- Een open houding.
- Flexibel zijn.
- Bewust van mogelijke persoonlijke voordelen.
- Zorgvuldig bij nemen van beslissingen.
- Bereid om te heroverwegen.
- Ordelijk in complexe zaken.
- Sceptisch, maar niet cynisch.
- Open-minded, maar waait niet met alle winden mee.
- Analytisch, maar legt niet op alle slakken zout door voortdurend te relativeren.
- Besluitvaardig, maar niet koppig.
- Evaluatief ingesteld, maar niet veroordelend.
- Duidelijk in zijn visie, maar is daarbij niet aanmatigend.
Valkuilen
1. Cirkelredenering: Herhaling standpunt.
* Ik ben de baas, omdat ik het voor het zeggen heb.
2. Verkeerde vergelijking: Appels met peren vergelijken.
* Waarom mag ik mijn pet niet ophouden, Maxima heeft ook altijd een hoed op.
3. Overhaaste generalisatie.
* Ik ga niet in een groepje met iemand die ver weg woont, want die heeft nooit tijd.
4. Onterechte causaliteit.
* Ze was in mei op vakantie met Rob, ze is in mei zwanger geworden, ze is zwanger van Rob.
5. Geen bewijs: Argument van onwetendheid.
* Je kunt niet bewijzen dat therapie X e ectief is, dus therapie X is niet e ectief.
Pagina 1
ff ff
, Klinisch Redeneren
Vaardigheden kritisch redeneren
1. Interpreteren: Het begrijpen en weergeven van een bepaald probleem, een gebeurtenis, een
situatie of een ervaring.
- Vanuit welke invalshoeken kan dit probleem benaderd worden?
- Wat is hier de hoofdzaak en wat zijn de bijzaken?
- Wat betekent … precies?
- Hoe verhoudt deze informatie zich tot het probleem?
- Wat maakt het probleem complex?
- Welke factoren hebben invloed op dit probleem?
- Hoe kan ik het probleem in eigen woorden weergeven?
- In welke situatie deed zich een vergelijkbaar probleem voor?
Aspecten
Categoriseren (ordenen)
Decoderen (begrijpen)
Verduidelijken van informatie (uitleggen)
2. Analyseren: Het onderzoeken van aannames/ideeën, het detecteren en vervolgens analyseren
van argumenten.
- Wat is de bedoeling van het standpunt van…?
- Hoe heb je de gegevens gebruikt om tot je bewering te komen?
- Welke bronnen heb je voor je argumentatie gebruikt? Hoe verschillen de bronnen van elkaar?
- Welke gegevens uit de bronnen heb je (niet) gebruikt en waarom (niet)?
- Welke alternatieve argumentatie is denkbaar?
- Zou je buiten deze setting een andere argumentatie gebruiken?
- Welke informatie zou je nodig hebben om je argumentatie beter te onderbouwen?
Aspecten
Ideeën onderzoeken
Argumenten detecteren
Argumenten analyseren
Pagina 2