Natuursteen
INLEIDING NATUURSTEEN
- Lange geschiedenis als bouwmateriaal: basis voor historische bouwstijlen
- Verzamelnaam voor in de natuur gevonden of ontgonnen steenachtig materiaal
- Duurzaam!
- Binnen en buiten toepassingen
KEUZEBEPALENDE FACTOREN
Natuursteen = materiaal met veel variatie in eigenschappen en uitzicht -> juiste keuze
maken voor bepaalde toepassing obv:
- Uitzicht: kleur, tekening, textuur, …
- Prijs: bepaald door groevenwinning, transport, bewerking
- Slijtweerstand
- Hardheid of krasvastheid
- Weerstand tegen weersinvloeden
- Weerstand tegen chemische aantasting (bvb zuren)
- Vorst- en vlekbestendigheid -> porositeit = aanwezigheid van kleine openingen
(poriën) in een materiaal.
INDELING VOLGENS ONTSTAANSWIJZE
- Ontstaanswijze bepalend voor structuur, aspect en eigenschappen
- 3 groepen
Stollingsgesteente magma
Afzettingsgesteente = sedimentair gesteente
Omzettingsgesteente = metamorf gesteente (kunnen geen holletjes inzitten)
- Binnen een groep nog verdere indeling naar samenstelling (bv: kalksteen, naar
vindplaats: carraramarmer)
STOLLINGS- OF PRIMAIR GESTEENTE
- Ontstaat door stollen en afkoelen van vloeibaar magma
- 3 soorten met zelfde samenstelling, andere structuur naargelang snelheid van
afkoeling:
, 1. Dieptegesteente of plutonieten
- Ontstaan relatief diep in aardkorst -> trage afkoeling -> grote kristallen
- Onderhevig aan grote druk van aardlagen -> compact gesteente
Soort: GRANIET
Eigenschappen:
- Compact = zwaar, slijtvast, niet poreus (geen poriën mogelijk) en dus vorst- en
vlekbestendig, drukbestendig
- Zuurbestendig
- Zeer hard = krasvast
- Duurzaam
Bewerkingen:
- Polijstbaar
- Geen fijne profilering
- Kloven, bikken (puntjes erop), boucharderen (met een hamertje)
- Branden
Toepassingen:
Gevelbekleding, straatstenen, grafzerken
Werkbladen voor keuken
Vloer- en wandbekleding
2. Ganggesteente
- Snellere afkoeling -> grote kristallen omgeven door fijn kristallijne brij
Soort: PORFIER
Eigenschappen:
- Compact = zwaar, slijtvast, niet poreus (geen poriën mogelijk) en dus vorst- en
vlekbestendig, drukbestendig
- Zuurbestendig
- Zeer hard = krasvast
- Duurzaam
Moeilijker te polijsten
Toepassing als wegverharding (kasseien) en als steenslag voor beton
Ook in ons land ontgonnen (Quenast en Lessine)
3. Uitvloeiingsgesteente of vulkanieten
- Zeer snelle afkoeling -> geen kristalvorming
- Glasachtige structuur
- Soms schuimstructuur door gassen bij stolling (eelt weg te schuren)
Soort: BASALT
- Donkergrijs, blauwachtig zwart
- Zeer compact -> zwaar – weerbestendig
- Zeer hard -> slijtvast – moeilijk bewerken
- Zuurbestendig Variant: BASALTLAVA
Toepassing: - Meer gassen, meer
Straatstenen, golfbrekers, steenslag, rotswol poriën
- Makkelijk te bewerken
- Geschikt voor terras
INLEIDING NATUURSTEEN
- Lange geschiedenis als bouwmateriaal: basis voor historische bouwstijlen
- Verzamelnaam voor in de natuur gevonden of ontgonnen steenachtig materiaal
- Duurzaam!
- Binnen en buiten toepassingen
KEUZEBEPALENDE FACTOREN
Natuursteen = materiaal met veel variatie in eigenschappen en uitzicht -> juiste keuze
maken voor bepaalde toepassing obv:
- Uitzicht: kleur, tekening, textuur, …
- Prijs: bepaald door groevenwinning, transport, bewerking
- Slijtweerstand
- Hardheid of krasvastheid
- Weerstand tegen weersinvloeden
- Weerstand tegen chemische aantasting (bvb zuren)
- Vorst- en vlekbestendigheid -> porositeit = aanwezigheid van kleine openingen
(poriën) in een materiaal.
INDELING VOLGENS ONTSTAANSWIJZE
- Ontstaanswijze bepalend voor structuur, aspect en eigenschappen
- 3 groepen
Stollingsgesteente magma
Afzettingsgesteente = sedimentair gesteente
Omzettingsgesteente = metamorf gesteente (kunnen geen holletjes inzitten)
- Binnen een groep nog verdere indeling naar samenstelling (bv: kalksteen, naar
vindplaats: carraramarmer)
STOLLINGS- OF PRIMAIR GESTEENTE
- Ontstaat door stollen en afkoelen van vloeibaar magma
- 3 soorten met zelfde samenstelling, andere structuur naargelang snelheid van
afkoeling:
, 1. Dieptegesteente of plutonieten
- Ontstaan relatief diep in aardkorst -> trage afkoeling -> grote kristallen
- Onderhevig aan grote druk van aardlagen -> compact gesteente
Soort: GRANIET
Eigenschappen:
- Compact = zwaar, slijtvast, niet poreus (geen poriën mogelijk) en dus vorst- en
vlekbestendig, drukbestendig
- Zuurbestendig
- Zeer hard = krasvast
- Duurzaam
Bewerkingen:
- Polijstbaar
- Geen fijne profilering
- Kloven, bikken (puntjes erop), boucharderen (met een hamertje)
- Branden
Toepassingen:
Gevelbekleding, straatstenen, grafzerken
Werkbladen voor keuken
Vloer- en wandbekleding
2. Ganggesteente
- Snellere afkoeling -> grote kristallen omgeven door fijn kristallijne brij
Soort: PORFIER
Eigenschappen:
- Compact = zwaar, slijtvast, niet poreus (geen poriën mogelijk) en dus vorst- en
vlekbestendig, drukbestendig
- Zuurbestendig
- Zeer hard = krasvast
- Duurzaam
Moeilijker te polijsten
Toepassing als wegverharding (kasseien) en als steenslag voor beton
Ook in ons land ontgonnen (Quenast en Lessine)
3. Uitvloeiingsgesteente of vulkanieten
- Zeer snelle afkoeling -> geen kristalvorming
- Glasachtige structuur
- Soms schuimstructuur door gassen bij stolling (eelt weg te schuren)
Soort: BASALT
- Donkergrijs, blauwachtig zwart
- Zeer compact -> zwaar – weerbestendig
- Zeer hard -> slijtvast – moeilijk bewerken
- Zuurbestendig Variant: BASALTLAVA
Toepassing: - Meer gassen, meer
Straatstenen, golfbrekers, steenslag, rotswol poriën
- Makkelijk te bewerken
- Geschikt voor terras