Reader 7 | weaving fundamentals and design
Plat = plain
Keper = twill
Satijn = satin (kettingsatijn)/sateen (inslagsatijn)
Ketting = warp
Inslag = weft (= filling yarn)
K.g. = Kettinggaren
I.g. = Inslaggaren
Weefselstructuur
Binding weefsel is de manier waarop de k.g. en de i.g. elkaar kruisen.
Kettinggarens (of schering, parallel aan zelfkant) in lengterichting.
Inslag(garens) haaks hierop (breedterichting).
Inslaggaren altijd blanco gelaten op bindingspapier.
Bindingspunt (vlechtingspunt) = ketting en inslag kruisen elkaar hier.
Aantal garens (dichtheid weefsel, aantal/inch2) uitgedrukt in 2 cijfers: 1e cijfer =
aantal kettinggarens/inch, 2e cijfer aantal inslaggarens/inch.
1 cijfer als weefsel vierkant is.
Te veel garens per inch > weefsel te stijf, draperen niet en zijn niet buigzaam.
Weefsels met weinig bindingspunten = zacht en buigzaam. Veel = tegenovergestelde.
Meer kromming in ontspannen toestand in kettingri. dan in inslagri.
Onderdelen weefgetouw
Groep garens op kettingboom (start) > opgerold
weefsel (eind).
Kettinggarens van kettingboom afgewikkeld in vorm
van lap > over stalen wals met grote diameter
(achterboom/strijkboom/sleep) leidt garens naar
voren. Achterboom kan omhoog en omlaag om
spanning te regelen op ketting. Spanning beïnvloed
uiterlijk weefsel en duidelijkheid patroon.
Elk kettinggaren door kettingdraadwachter geleid (noodstop).
Kammen (schacht) = metalen frames met dunne metaaldraden > hevels (24-28
hevels/inch). Elke hevel heeft oogje > kettinggaren doorheen.
Kammen bewegen op en neer om vereiste patroon te weven.
Kam/weefriet = spreidt lap kettinggarens uit tot specifieke Breedhouder
breedte, rietbreedte, en slaat inslaggaren aan in rand (lijn over
breedte van het weefsel waar garens > weefsel overgaan).
Moderne weeggetouwen zonder schietspoel > grote inslagklossen aan zijkant, inslaggarens van klos
afgewikkeld en lopen door inslagtoevoer (opwikkelmechanisme inslaggarens verzamelt voor
volgende inslag).
Weefsel naar voren door weefgetouw getrokken > opgewikkeld op stofboom.
Tijd afhankelijk van snelheid machine en aantal inslaggarens/inch.
Kettingdraden vaak ingepoederd met zetmeel > sterker en slijtvaster (eerst wassen voor gebruik).
, Fundamentele bewegingen
1. Vormen van de sprong, kettinggarens verdeeld in onderste en bovenste sprong, door op en
neer bewegen van frames met hevels.
2. Invoegen van de inslag. Ingevoerd in sprong, zodat inslaggarens vervlechten met
kettinggarens > weefsel.
3. Aanslaan. Weefriet beweegt naar voren en slaat inslag aan in weefsel.
4. (Ondertussen) kettinggarens afgewikkeld.
5. (Ondertussen) weefsel op stofboom gewikkeld.
Op alle weefgetouwen, ongeacht handmatig of automatisch.
Vormen van de sprong
Sprongvorming met nokken (cam shedding) = Kettinggarens
gescheiden d.m.v. kammen omhoog en omlaag bewegen door
rondvormige, geprofileerde nokken. Gewoonlijk 6-8 kammen, elk
aangestuurd door enkele nok met verbinding met de nok. > plat,
eenvoudige kepers en satijn weefsels.
Nok heeft hoog en laag profiel.
Patroon veranderen > andere nok met andere vorm of profiel.
Vaak bevatten 2 kammen de kettinggarens voor vormen zelfkant,
overige weven het weefsel zelf.
Sprongvorming met schachtmachine (dobby shedding) = rij houten planken
met pennen, plastic- of mylarlappen met gestanste gaten of computergestuurd.
Aantal schachten 8-28 of meer > meer complexe weefsels met meer
herhalingen geweven (geometrische figuren, stippen of complexe
streeppatronen). Moderne machines voorzien van elektronisch
sprongregelmechanisme > omschakelen patronen makkelijker en sneller.
Beweging elektronisch geregeld m.b.v. elektromagneten > mogelijkheid
CAD-systemen voor ontwerpen van patronen, corrigeren patroon en
downloaden naar weefgetouw. Voorkomen meerdere stalen weven.
Jacquardspronvorming = grote patronen (tapisserie en damast). Verleden
kartonnen kaarten met gaten, later mylarlappen met gestanste gaten,
tegenwoordig computergestuurde jacquardkoppen. Bijna oneindig veel
patronen mee worden geweven, duurdere weefsels.
Individuele hevels in verbinding met jacquardkop boven het weefgetouw.
De ‘touwen’(arcadebundel) vormt verbinding hevel en jacquardkop >
kenmerkend voor jacquardweefgetouw.
Ketting meteen in weefgetouw getrokken > minder vaak stopgezet te worden >
efficiënter.
Veelkleurig weefsel door verschillende kleuren k.-/i.g. (16 kleuren i.g.).
Kleur zichtbaar technische voorkant > garen door jacquardkop naar voren gehaald.
Kleur niet nodig, verborgen aan technische achterkant > jacquardkop duwt naar
achter.
Opwikkelsysteem zonder stofboom > weefsel geïnspecteerd op weeffouten voordat opgerold.
Sprongvormingsmechanisme
Excentriek (cam)
Aangestuurd door nokschijven (ovaal > vorm bepaald of kam
omhoog gaat of niet, bepaald beweging van de kam) = massa
productie (max 6-8 kammen) (simpele kepers, plat en satijn
bindingen).