Inhoudsopgave
Week 1. Inleiding. Wetgevingsleer. Wetgeven in een democratische rechtsstaat........................................................2
S.E. Zijlstra, Wetgevingstechniek.......................................................................................................................................2
Hoofdstuk 1. Inleiding...................................................................................................................................................2
Hoofdstuk 2. Wetgeven in een democratische rechtsstaat..........................................................................................3
Hoofdstuk 3. Wetgevende bevoegdheid......................................................................................................................6
Week 2. Opstellen wettelijke regeling (I) – Inleiding, aanpak en feitelijke context, instrumentele problemen en
oplossingen................................................................................................................................................................ 8
S.E. Zijlstra, Wetgevingstechniek.......................................................................................................................................8
Hoofdstuk 4. Aanpak bij opstellen van een wettelijke regeling....................................................................................8
Hoofdstuk 5. Instrumentkeuze.....................................................................................................................................9
Week 3. Opstellen wettelijke regeling (II) – Considerans. Handhaving. Inwerkingtreding en overgangsrecht..............13
S.E. Zijlstra Wetgevingstechniek......................................................................................................................................13
Hoofdstuk 6. Handhaving............................................................................................................................................13
Hoofdstuk 7. Considerans...........................................................................................................................................16
Week 4. Opstellen wettelijke regeling (III) – Aard en structuur wettelijke bepalingen. Gedragsnormen en
bevoegdheidsnormen. Bevoegdheidstoedeling. Decentralisatie................................................................................17
S.E. Zijlstra, Wetgevingstechniek.....................................................................................................................................17
Hoofdstuk 7. Centrale gedragsnormen.......................................................................................................................17
Hoofdstuk 8. Bevoegdheidstoedeling en organisatie.................................................................................................18
Week 5. Opstellen wettelijke regeling (IV) – Vormgeving: Structuur en terminologie.................................................20
S.E. Zijlstra, Wetgevingstechniek....................................................................................................................................20
Hoofdstuk 9. Algemene vormgevingsaspecten..........................................................................................................20
Hoofdstuk 10. Opzet en indeling van een wettelijke regeling....................................................................................21
Week 6. Opstellen wettelijke regeling (V) – Vormgeving: Overige onderwerpen, wijziging en toelichting...................24
S.E. Zijlstra, Wetgevingstechniek....................................................................................................................................24
Hoofdstuk 11. Overige onderwerpen.........................................................................................................................24
Hoofdstuk 12. Wijziging en intrekking........................................................................................................................25
Hoofdstuk 13. Toelichting...........................................................................................................................................27
1
, Week 1. Inleiding. Wetgevingsleer. Wetgeven in een democratische rechtsstaat.
S.E. Zijlstra, Wetgevingstechniek
Hoofdstuk 1. Inleiding
1.2. Wet, wetgeving en wetgevingsleer
Juridische betekenis: wet in formele en in materiële zin
Een wet in formele zin is een besluit van regering en Staten-Generaal in de zin van artikel 81 Grondwet;
Een wet in materiële zin (avv genoemd) is een ‘algemene naar buiten werkende, voor de daarbij betrokkenen
bindende regel, uitgegaan van het openbaar gezag, dat de bevoegdheid daartoe aan de wet ontleent’.
Drie functies van wetgeving
Vanuit juridisch oogpunt heeft wetgeving drie functies, te weten:
1. Legitimerende functie: democratisch-rechtsstatelijke grondslag voor overheidsoptreden dat gelegitimeerd is.
2. Instrumentele functie: zij beoogt samenleving te ordenen om sociale rechtvaardigheid te bewerkstelligen.
3. Waarborgfunctie: doordat zij algemeen geldende rechtsregels bevat, bewerkstelligt zij rechtszekerheid en
rechtsgelijkheid.
Wet- en regelgeving bevatten rechtsnormen: uitspraken die aan bepaalde stand van zaken bepaald normatief gevolg
verbinden. Mensen ontlenen aan die uitspraken verwachtingen omtrent elkaars handelen en kunnen zo hun gedrag op
elkaar afstemmen (communicatieve functie).
Wetgeving; wetgevingsleer en regelgevingsleer
Ten eerste duidt wetgeving op maken van wet (proces van wetgeving). Ten tweede op resultaat van dat proces; de
gegeven wet, soms ook gebruikt als verzamelbegrip. Omdat ‘wetgeving’ zowel de arbeid aan wetten als resultaat van
die arbeid betreft, is wetgevingsleer de leer betreffende wetten, met inbegrip van totstandkoming ervan.
1.3 wetgevingsleer en rechtsgeleerdheid
Wetgeving in de sociale rechtsstaat
In de sociale rechtsstaat streeft de wetgever niet meer primair naar codificatie: vastleggen regels die als het ware reeds
golden, maar naar modificatie: dat hij actief samenleving wil vormen, sturen, maken: wet geeft ‘juridische vorm aan
sociale ingrepen die parlementaire meerderheden van moment willen verwezenlijken.’
De jurisprudentie is ‘klassiek’ bezig. Toetsen van lagere aan hogere regelingen (inclusief verdragen) neemt belangrijkste
plaats in. Voor overige: toetsingsverbod artikel 120 Grondwet en uitsluiting van beroep tegen algemeen verbindende
voorschriften. Toetsing van algemeen verbindende voorschriften aan ongeschreven recht vindt in kader van exceptieve
verweren plaats, maar de rechter stelt zich terughoudend op.
1.5. Aanwijzingen en andere aanbevelingen voor de (decentrale) regelgeving
1.5.1. De gereedschapskist van de wetgevingsjurist
Juridische beroepen hebben sterk ambachtelijke kant: gaat niet alleen om recht goed te kennen, maar voor vormgeven
resultaat van juridische proces bestaan ‘regelen der kunst’. Voor die regelen zijn door beroepsgenoten handleidingen
opgesteld: om fouten te voorkomen, maar ook om eenheid van vorm te creëren: Aanwijzingen voor regelgeving (Ar).
1.5.2. De Aanwijzingen voor de regelgeving
Ar zijn vastgesteld bij besluit van minister-president. Bedoeling dat ministers en ambtenaren zich aan Aanwijzingen
houden. Zij hebben externe werking: Afdeling advisering Raad van State toetst bij advisering over wet- en regelgeving.
Toepassingsbereik
Ar zijn van toepassing op ‘regelingen’ (algemeen verbindende voorschriften, interne regelingen en beleidsregels) die
onder ministeriële verantwoordelijkheid tot stand komen (Ar 1.1 en 1.2). Zij kunnen ook voor andere juridische
documenten een nuttige functie vervullen, zoals vergunningvoorschriften.
2
Week 1. Inleiding. Wetgevingsleer. Wetgeven in een democratische rechtsstaat........................................................2
S.E. Zijlstra, Wetgevingstechniek.......................................................................................................................................2
Hoofdstuk 1. Inleiding...................................................................................................................................................2
Hoofdstuk 2. Wetgeven in een democratische rechtsstaat..........................................................................................3
Hoofdstuk 3. Wetgevende bevoegdheid......................................................................................................................6
Week 2. Opstellen wettelijke regeling (I) – Inleiding, aanpak en feitelijke context, instrumentele problemen en
oplossingen................................................................................................................................................................ 8
S.E. Zijlstra, Wetgevingstechniek.......................................................................................................................................8
Hoofdstuk 4. Aanpak bij opstellen van een wettelijke regeling....................................................................................8
Hoofdstuk 5. Instrumentkeuze.....................................................................................................................................9
Week 3. Opstellen wettelijke regeling (II) – Considerans. Handhaving. Inwerkingtreding en overgangsrecht..............13
S.E. Zijlstra Wetgevingstechniek......................................................................................................................................13
Hoofdstuk 6. Handhaving............................................................................................................................................13
Hoofdstuk 7. Considerans...........................................................................................................................................16
Week 4. Opstellen wettelijke regeling (III) – Aard en structuur wettelijke bepalingen. Gedragsnormen en
bevoegdheidsnormen. Bevoegdheidstoedeling. Decentralisatie................................................................................17
S.E. Zijlstra, Wetgevingstechniek.....................................................................................................................................17
Hoofdstuk 7. Centrale gedragsnormen.......................................................................................................................17
Hoofdstuk 8. Bevoegdheidstoedeling en organisatie.................................................................................................18
Week 5. Opstellen wettelijke regeling (IV) – Vormgeving: Structuur en terminologie.................................................20
S.E. Zijlstra, Wetgevingstechniek....................................................................................................................................20
Hoofdstuk 9. Algemene vormgevingsaspecten..........................................................................................................20
Hoofdstuk 10. Opzet en indeling van een wettelijke regeling....................................................................................21
Week 6. Opstellen wettelijke regeling (V) – Vormgeving: Overige onderwerpen, wijziging en toelichting...................24
S.E. Zijlstra, Wetgevingstechniek....................................................................................................................................24
Hoofdstuk 11. Overige onderwerpen.........................................................................................................................24
Hoofdstuk 12. Wijziging en intrekking........................................................................................................................25
Hoofdstuk 13. Toelichting...........................................................................................................................................27
1
, Week 1. Inleiding. Wetgevingsleer. Wetgeven in een democratische rechtsstaat.
S.E. Zijlstra, Wetgevingstechniek
Hoofdstuk 1. Inleiding
1.2. Wet, wetgeving en wetgevingsleer
Juridische betekenis: wet in formele en in materiële zin
Een wet in formele zin is een besluit van regering en Staten-Generaal in de zin van artikel 81 Grondwet;
Een wet in materiële zin (avv genoemd) is een ‘algemene naar buiten werkende, voor de daarbij betrokkenen
bindende regel, uitgegaan van het openbaar gezag, dat de bevoegdheid daartoe aan de wet ontleent’.
Drie functies van wetgeving
Vanuit juridisch oogpunt heeft wetgeving drie functies, te weten:
1. Legitimerende functie: democratisch-rechtsstatelijke grondslag voor overheidsoptreden dat gelegitimeerd is.
2. Instrumentele functie: zij beoogt samenleving te ordenen om sociale rechtvaardigheid te bewerkstelligen.
3. Waarborgfunctie: doordat zij algemeen geldende rechtsregels bevat, bewerkstelligt zij rechtszekerheid en
rechtsgelijkheid.
Wet- en regelgeving bevatten rechtsnormen: uitspraken die aan bepaalde stand van zaken bepaald normatief gevolg
verbinden. Mensen ontlenen aan die uitspraken verwachtingen omtrent elkaars handelen en kunnen zo hun gedrag op
elkaar afstemmen (communicatieve functie).
Wetgeving; wetgevingsleer en regelgevingsleer
Ten eerste duidt wetgeving op maken van wet (proces van wetgeving). Ten tweede op resultaat van dat proces; de
gegeven wet, soms ook gebruikt als verzamelbegrip. Omdat ‘wetgeving’ zowel de arbeid aan wetten als resultaat van
die arbeid betreft, is wetgevingsleer de leer betreffende wetten, met inbegrip van totstandkoming ervan.
1.3 wetgevingsleer en rechtsgeleerdheid
Wetgeving in de sociale rechtsstaat
In de sociale rechtsstaat streeft de wetgever niet meer primair naar codificatie: vastleggen regels die als het ware reeds
golden, maar naar modificatie: dat hij actief samenleving wil vormen, sturen, maken: wet geeft ‘juridische vorm aan
sociale ingrepen die parlementaire meerderheden van moment willen verwezenlijken.’
De jurisprudentie is ‘klassiek’ bezig. Toetsen van lagere aan hogere regelingen (inclusief verdragen) neemt belangrijkste
plaats in. Voor overige: toetsingsverbod artikel 120 Grondwet en uitsluiting van beroep tegen algemeen verbindende
voorschriften. Toetsing van algemeen verbindende voorschriften aan ongeschreven recht vindt in kader van exceptieve
verweren plaats, maar de rechter stelt zich terughoudend op.
1.5. Aanwijzingen en andere aanbevelingen voor de (decentrale) regelgeving
1.5.1. De gereedschapskist van de wetgevingsjurist
Juridische beroepen hebben sterk ambachtelijke kant: gaat niet alleen om recht goed te kennen, maar voor vormgeven
resultaat van juridische proces bestaan ‘regelen der kunst’. Voor die regelen zijn door beroepsgenoten handleidingen
opgesteld: om fouten te voorkomen, maar ook om eenheid van vorm te creëren: Aanwijzingen voor regelgeving (Ar).
1.5.2. De Aanwijzingen voor de regelgeving
Ar zijn vastgesteld bij besluit van minister-president. Bedoeling dat ministers en ambtenaren zich aan Aanwijzingen
houden. Zij hebben externe werking: Afdeling advisering Raad van State toetst bij advisering over wet- en regelgeving.
Toepassingsbereik
Ar zijn van toepassing op ‘regelingen’ (algemeen verbindende voorschriften, interne regelingen en beleidsregels) die
onder ministeriële verantwoordelijkheid tot stand komen (Ar 1.1 en 1.2). Zij kunnen ook voor andere juridische
documenten een nuttige functie vervullen, zoals vergunningvoorschriften.
2