Inleiding
Organisaties zijn cruciale knooppunten in ons leven, bepalend voor wie we zijn en wat we doen (1) en
die rol is alleen maar toegenomen (2)
- Macroniveau: VB. globalisering via internationaal opererende organisaties (VN);
- Microniveau: VB. lokale producten.
Organisaties zijn dus knooppunten of de spil waar alles om draait: zij ordenen onze contacten,
reguleren onze dag, regeren ons leven etc. Werk zorgt bij mensen voor:
- Geld en spullen;
- Identiteit + status;
- UItdaging + betekenis;
- Sociaal netwerk;
- Bijdragen aan de maatschappij;
- Plezier en geluk.
Definitie organisatie (Hatch)
“Organization happens when people work together to accomplish some desired end state or goal. It
can happen through intentionally designed activity, spontaneous improvisation, or some combination
of the two, but it always depends upon coordinated action. … The coordination of human interests and
activities can range from the simple to the massively complex, and its goals from the mundane to the
exotic.”
● “Work together”: Mensen werken met elkaar samen in organisaties (zoals besturen);
● “Some desired end state or goal”: Deze mensen willen iets bereiken;
● “Coordinated action”: Er moet een en ander afgesproken worden met elkaar om goed te
kunnen organiseren.
NB. Als (een deel van) deze aspecten niet terug te vinden zijn, hoeft dat niet te betekenen dat er geen
organisatie is. VB. Ook met weinig coördinatie kan een organisatie bestaan.
Een organisatie is niet eenduidig een product of proces. Het is van alles tegelijk, orde en wanorde,
proces en product: met verschillende perspectieven naar een organisatie kijken.
Overzicht thema’s
Elke ordening van bestuur- en organisatiewetenschap kan per auteur/docent verschillen: er is niet per
definitie één overzicht. Indeling volgens Sierk Ybema (en Grey) -> (historisch en thematisch):
- ‘Rationele’ vs ‘Humanistische’ sturing 1900-1940, jaren 60
- De formele vs informele organisatie jaren 50 en 60
- Organisatie en omgeving jaren 60 en 70
- Structuur vs cultuur jaren 80 en 90
- Bureaucratie vs postbureaucratie jaren 90 - nu
In elke periode stonden er al mensen tegenover elkaar (debat). Een bepaalde tijd is daardoor niet aan
te merken met één bepaalde manier van denken.
1
,Tabel: De B-lijn en de O-lijn
Bestuur/Management Mens & Organisatie
De B-lijn De O-lijn
- Dicht op bestuurders, beleidsmakers, - Dicht op managers, professionals en
overheid etc. uitvoerders
- Macro: het systeem, het grotere plaatje - Meso/micro: interne organisatie, mens + zijn
- Richting: wat we willen sores
- Voortschrijdend en normatief: hoe het zou - Inrichting: hoe we het doen
moeten werken - Beschrijvend en begrijpend: hoe het feitelijk
werkt
● Scientific management ● Bureaucratiestudies/
● ‘Humanistisch’ management besluitvormingstudies
● Cultuurmanagement en zelfsturing ● Contingentietheorie
● Postbureaucratie en verandermanagement ● Institutionele theorie/Enactmenttheorie
● Organisatiecultuur
● Macht en politiek
● Politiek van identiteit
De B en O worden in de colleges op elkaar betrokken.
Paradigma tegenstellingen
Wetenschappers kiezen vaak bepaalde theorieën vanuit een onderliggend paradigma (idee).
Paradigmategenstellingen zijn in de wetenschap heel lastig, omdat wetenschappers zich identificeren
met een bepaalde paradigma:
Positivisme vs constructivisme
● De ‘positivist’ gaat uit van een objectief bestaande, en objectief te observeren werkelijkheid
(een wetenschapper ‘meet’ de ‘objectieve’ kenmerken).
● De ‘constructivist’ gaat uit van een werkelijkheid die door mensen wordt geconstrueerd (een
wetenschapper bestudeert hoe mensen hun wereld interpreteren en construeren).
Managerialisten versus critici (ben je bezig om de praktijk verder te helpen of ben je een wetenschapper
die iets probeert te begrijpen?)
● ‘Managerialisten’ richten zich op de vraag hoe organisaties effectiever zijn te besturen (zij
hebben dezelfde belangen en belangstelling als managers).
● ‘Critici’ blijven op kritische afstand en schrijven over, in plaats van voor management en
organisaties. Vaak zijn zij ook partijdig door sympathie voor wie wordt ‘gemanaged’, waarbij
sommigen een organisatie neerzetten als instrument van onderdrukking/overheersing.
2
, Hoorcollege 2 - Opkomst van de organisatiesamenleving en de ‘bureaucratie’
Overgang naar industriële samenleving
De bureaucratie is het symbool voor de organisatiesamenleving. Sidenote: de bureaucratie is een
neutrale term voor bestuur en organisatie.
Met de overgang naar de industriële samenleving eind 19e en begin 20e eeuw begint ook de opkomst
van de organisatiesamenleving (en big business). De samenleving verandert naar: industrie,
verstedelijking, versnelling en de opkomst van het kapitalistisch systeem met kapitaalbezitters &
arbeiders. Kenmerken van organisaties in deze tijd:
- Snelle forse groei, met dus grote gebouwen, veel personeel etc.;
- Grote, complexe organisatie met verregaande differentiatie van taken;
- Horizontale en verticale integratie van de markt: samenwerking, fusies en overnames tussen
concurrenten (horizontaal) en tussen leveranciers, producenten en distributeurs (verticaal) en,
daardoor, het ontstaan van conglomeraten: ondernemingen actief in diverse markten;
- Bedrijven worden extern (banken en beurs) gefinancierd. Eigenaren lopen zo minder
persoonlijk risico en daardoor nemen veel ondernemers meer risico om te groeien;
- Oligopolie: de markt wordt beheerst door enkele ondernemers;
- Minder de ‘onzichtbare hand van de markt’, meer de zichtbare hand van het management:
‘managerial revolution’
-> bestuur en organisatie werd hierdoor essentieel.
Tegelijkertijd is er een overgang van een traditionele standensamenleving naar een industriële
‘verorganiseerde’ samenleving:
- Afnemende betekenis van standen, familie, kerk, religie etc.
- Opkomst grootschalige industrie, grote steden, treinen/auto/vliegtuig etc.
Geschiedenis organisaties in notendop: kleine bedrijven/productie voor lokale markten -> grote
bedrijven met massaproductie -> maatwerk voor decentrale markten.
Sociologen in 19e eeuw: Marx, Durkheim en Weber (in tijdsvolgorde)
Drie ontwikkelen die samenhangen met bovenstaande sociologen:
1. Proces van differentiatie en machtsconcentratie: Een verregaande opsplitsing van activiteiten
die nu door specifieke mensen of groepen worden gedaan (=arbeidsverdeling) en aan aparte
organisaties worden gekoppeld die centraal geleid worden: er wordt gespecialiseerd en zo
komen er verschillende beroepen. Daarnaast werd het gezag steeds centraler geregeld
middels verticale en horizontale opsplitsing van activiteiten. (Durkheim)
2. Proces van commodificatie/verwaring: Alles werd koopwaar en kon verhandeld worden op de
markt. Ook arbeid is koopwaar op de arbeidsmarkt en wordt verricht in ruil voor loon van een
werkgever. (Marx)
3. Proces van rationalisatie: Alles valt te regelen, niets meer aan het toeval overlaten: het
ordenen en systematiseren (organiseren) van de werkelijkheid om haar beheersbaar te
maken, waarmee ons denken en handelen steeds meer onderworpen wordt aan berekening,
beredenering en beheersing. (Marx en Weber)
3