Samenvatting Celbiologie – UvA
Hoorcollege 1 – Architecture of Cells and Membrames
Dierlijke (eukaryote) cel:
Plantencel:
Het verschil tussen een plantencel en een dierlijke cel is dat plantencellen chloroplasten
bevatten, een grote vacuole en een celwand hebben.
Een cel is een complexe machinerie die bestaat uit samenwerkende componenten die
verschillende eiwitten nodig hebben. (Zie tabel)
,De inhoud van een bacteriële cel (bij eukaryoot kan het nog een beetje verschillen). De
concentraties variëren tussen de binnen- en buitenkant van de cel en tussen de binnen- en
buitenkant van de cel organellen.
Functies van membranen:
• Afscheiding van de cel omgeving
→ Kleine moleculen, ionen, grote moleculen
• Afscheiding organellen
• Genereren/controleren van gradiënten
• Genereren/controleren van potentialen
• Matrix voor eiwitten
Benodigde eigenschappen van membranen:
• Afsluitend
• Selectief permeabel (dynamisch)
, • Functioneren in een waterige omgeving
• Rekbaar/vervormbaar (Planten, schimmels en bacteriën hebben een celwand dus zijn
niet rekbaar)
In het membraam zitten eiwitten die de diffusie van moleculen verhinderen of faciliteren →
selectief permeabel. De grootte van het molecuul en hoe het mengt met water bepalen hoe
efficiënt een molecuul door de membraan gaat. Klein en ongeladen gaat er makkelijker
doorheen.
In het membraam zitten veel vetzuren. Vetzuren zijn organische carbonzuren met keten van
koolstofatomen en carboxylgroep (COOH). Met een hydrofiele kop en een hydrofobe staart.
, Verzadiging is een eigenschap van vetzuren. Onverzadigde vetzuren bevatten een of
meerdere dubbele c=c bindingen. Door deze dubbele bindingen zijn deze vetzuren flexibel
en kunnen ze bochten maken. Verzadigde vetzuren bevatten geen dubbele bindingen en zijn
daarom steviger.
Fosfolipiden vormen de membranen. Een fosfolipide bestaat uit twee ketens van vetzuren,
een fosfaatgroep en een glycerolmolecuul en een alcoholgroep. Fosfolipiden organiseren
zichzelf in een dubbellaag. Met de hydrofobe staarten naar elkaar toe, en de hydrofiele
koppen aan de buitenkant bij het water.
Detergentia (=zepen) kunnen membranen oplossen. Zij hebben een structuur die lijkt op
lipiden en interfereren met de fosfolipiden.
Hoorcollege 1 – Architecture of Cells and Membrames
Dierlijke (eukaryote) cel:
Plantencel:
Het verschil tussen een plantencel en een dierlijke cel is dat plantencellen chloroplasten
bevatten, een grote vacuole en een celwand hebben.
Een cel is een complexe machinerie die bestaat uit samenwerkende componenten die
verschillende eiwitten nodig hebben. (Zie tabel)
,De inhoud van een bacteriële cel (bij eukaryoot kan het nog een beetje verschillen). De
concentraties variëren tussen de binnen- en buitenkant van de cel en tussen de binnen- en
buitenkant van de cel organellen.
Functies van membranen:
• Afscheiding van de cel omgeving
→ Kleine moleculen, ionen, grote moleculen
• Afscheiding organellen
• Genereren/controleren van gradiënten
• Genereren/controleren van potentialen
• Matrix voor eiwitten
Benodigde eigenschappen van membranen:
• Afsluitend
• Selectief permeabel (dynamisch)
, • Functioneren in een waterige omgeving
• Rekbaar/vervormbaar (Planten, schimmels en bacteriën hebben een celwand dus zijn
niet rekbaar)
In het membraam zitten eiwitten die de diffusie van moleculen verhinderen of faciliteren →
selectief permeabel. De grootte van het molecuul en hoe het mengt met water bepalen hoe
efficiënt een molecuul door de membraan gaat. Klein en ongeladen gaat er makkelijker
doorheen.
In het membraam zitten veel vetzuren. Vetzuren zijn organische carbonzuren met keten van
koolstofatomen en carboxylgroep (COOH). Met een hydrofiele kop en een hydrofobe staart.
, Verzadiging is een eigenschap van vetzuren. Onverzadigde vetzuren bevatten een of
meerdere dubbele c=c bindingen. Door deze dubbele bindingen zijn deze vetzuren flexibel
en kunnen ze bochten maken. Verzadigde vetzuren bevatten geen dubbele bindingen en zijn
daarom steviger.
Fosfolipiden vormen de membranen. Een fosfolipide bestaat uit twee ketens van vetzuren,
een fosfaatgroep en een glycerolmolecuul en een alcoholgroep. Fosfolipiden organiseren
zichzelf in een dubbellaag. Met de hydrofobe staarten naar elkaar toe, en de hydrofiele
koppen aan de buitenkant bij het water.
Detergentia (=zepen) kunnen membranen oplossen. Zij hebben een structuur die lijkt op
lipiden en interfereren met de fosfolipiden.