H2
Samenvatting H2 scheikunde
Paragraaf 1
Eerst dachten ze dat een atoom een massief ondeelbaar bolletje is, Rutherford deed
experimenten en hij schoot een stroom positief geladen deeltjes op een dun stukje
goudfolie. Zijn conclusie was: atomen zijn geen massieve bolletjes, maar ze bestaan
uit nog kleinere deeltjes en een grote lege ruimte. Hij bedacht een nieuw atoommodel
met een atoomkern en daaromheen bewegende negatief geladen elektronen. De
elektronen samen vormen een elektronenwolk.
Uit later onderzoek blijkt dat de atoomkern bestaat uit nog kleinere deeltjes,
protonen en neutronen. Protonen zijn positief geladen en neutronen zijn neutraal. De
atoomkern heeft door de protonen een positieve lading
● protonen = p
● elektronen = e--
● neutronen= n
isotopen: zijn atomen met hetzelfde aantal protonen, maar met een VERSCHILLEND
aantal neutronen.
Bohr: in zijn model bevinden de elektronen zich in banen rond de kern. Deze
bolvormige baan noemde hij elektronenschillen. Schillen die dichter bij de kern zitten
bevatten minder elektronen, dan schillen die verder van de kern zijn verwijderd.
Atoommodel van Bohr:
Atoomnummer= het aantal protonen ( Chloor heeft het atoomnummer 17, dus er
zitten 17 protonen in Chloor)
Massagetal - atoomnummer = neutronen (massagetal wordt gegeven in de vraag of
staat in binas 25: 35-17= 18 neutronen in Chloor)
Dit schrijf je in de kern van de atoom, dan ga je in binas hoeveel elektronen chloor
heeft, dat is 2,8,7. Dus in de buitenste schil zitten 2 elektronen, in de middelste 8 en
in de buitenste 7.
- Massagetal= protonen en neutronen samen.
- Protonen is altijd gelijk aan elektronen
, H2
Paragraaf 2
Tijdens een chemische reactie of onder invloed van elektrische stroom verandert de
atoomkern nooit, maar de elektronenwolk kan wel veranderen. Er kunnen één of
meer elektronen worden afgestaan of opgenomen. Het atoom is dan niet neutraal
meer, maar heeft een positieve of negatieve lading gekregen.
positief ion: Een atoom met een positieve lading.
- Een atoom kan één of meer van zijn elektronen uit de buitenste schil afstaan,
dat gevolg is dat de positieve lading in de kern groter is dan de negatieve
lading in de elektronenwolk. Atoom is dan positief geworden
negatief ion: Een atoom met een negatieve lading.
- Een atoom kan één of meer elektronen in de buitenste schil opnemen, dan is
de negatieve lading in de elektronenwolk groter dan de positieve lading in de
kern. Het atoom als geheel is dan negatief geworden.
Elektronen kunnen alleen vanaf de buitenste schil worden afgestaan of toegevoegd.
Elektronen in de buitenste schil noem je vakantie-elektronen. Ze zijn betrokken bij
het vormen en verbreken van verbindingen tussen atomen.
Atomen kunnen dus één of meerdere elektronen opnemen of afstaan. Elke
atoomsoort heeft meestal maar één bepaalde lading, de lading van een ion hangt af
van het aantal elektronen dat een atoom kan opnemen of afstaan.
Metaalionen zijn altijd positief geladen, ze staan elektronen af om een ion te vormen.
Ionen die zijn ontstaan uit niet-metalen zijn meestal negatief geladen.
Samenvatting H2 scheikunde
Paragraaf 1
Eerst dachten ze dat een atoom een massief ondeelbaar bolletje is, Rutherford deed
experimenten en hij schoot een stroom positief geladen deeltjes op een dun stukje
goudfolie. Zijn conclusie was: atomen zijn geen massieve bolletjes, maar ze bestaan
uit nog kleinere deeltjes en een grote lege ruimte. Hij bedacht een nieuw atoommodel
met een atoomkern en daaromheen bewegende negatief geladen elektronen. De
elektronen samen vormen een elektronenwolk.
Uit later onderzoek blijkt dat de atoomkern bestaat uit nog kleinere deeltjes,
protonen en neutronen. Protonen zijn positief geladen en neutronen zijn neutraal. De
atoomkern heeft door de protonen een positieve lading
● protonen = p
● elektronen = e--
● neutronen= n
isotopen: zijn atomen met hetzelfde aantal protonen, maar met een VERSCHILLEND
aantal neutronen.
Bohr: in zijn model bevinden de elektronen zich in banen rond de kern. Deze
bolvormige baan noemde hij elektronenschillen. Schillen die dichter bij de kern zitten
bevatten minder elektronen, dan schillen die verder van de kern zijn verwijderd.
Atoommodel van Bohr:
Atoomnummer= het aantal protonen ( Chloor heeft het atoomnummer 17, dus er
zitten 17 protonen in Chloor)
Massagetal - atoomnummer = neutronen (massagetal wordt gegeven in de vraag of
staat in binas 25: 35-17= 18 neutronen in Chloor)
Dit schrijf je in de kern van de atoom, dan ga je in binas hoeveel elektronen chloor
heeft, dat is 2,8,7. Dus in de buitenste schil zitten 2 elektronen, in de middelste 8 en
in de buitenste 7.
- Massagetal= protonen en neutronen samen.
- Protonen is altijd gelijk aan elektronen
, H2
Paragraaf 2
Tijdens een chemische reactie of onder invloed van elektrische stroom verandert de
atoomkern nooit, maar de elektronenwolk kan wel veranderen. Er kunnen één of
meer elektronen worden afgestaan of opgenomen. Het atoom is dan niet neutraal
meer, maar heeft een positieve of negatieve lading gekregen.
positief ion: Een atoom met een positieve lading.
- Een atoom kan één of meer van zijn elektronen uit de buitenste schil afstaan,
dat gevolg is dat de positieve lading in de kern groter is dan de negatieve
lading in de elektronenwolk. Atoom is dan positief geworden
negatief ion: Een atoom met een negatieve lading.
- Een atoom kan één of meer elektronen in de buitenste schil opnemen, dan is
de negatieve lading in de elektronenwolk groter dan de positieve lading in de
kern. Het atoom als geheel is dan negatief geworden.
Elektronen kunnen alleen vanaf de buitenste schil worden afgestaan of toegevoegd.
Elektronen in de buitenste schil noem je vakantie-elektronen. Ze zijn betrokken bij
het vormen en verbreken van verbindingen tussen atomen.
Atomen kunnen dus één of meerdere elektronen opnemen of afstaan. Elke
atoomsoort heeft meestal maar één bepaalde lading, de lading van een ion hangt af
van het aantal elektronen dat een atoom kan opnemen of afstaan.
Metaalionen zijn altijd positief geladen, ze staan elektronen af om een ion te vormen.
Ionen die zijn ontstaan uit niet-metalen zijn meestal negatief geladen.