Hoofdstuk 1
§1 Studeren is investeren
- Geld investeren in studeren zodat je later een baan hebt
- Sociaal leenstelsel -> Iedereen met hoger onderwijs kan tegen gunstige voorwaarden
geld lenen van de overheid ter financiering van de studie
§2 Verzekeringen
- Schade verzekering -> Stelt verzekerde schadeloos bij het optreden van een
verzekerd risico
- Zorgverzekering -> Vergoed medische zorg (ziekenhuis, dokter enz)
- Inboedelverzekering -> Verzekerd tegen schade aan spullen door brand,
water, diefstal en storm
- Opstalverzekering -> Verzekerd woning tegen schade door brand, water,
diefstal en storm
- Koopwoning met hypotheek is verplicht een opstalverzekering te
nemen.
- Reisverzekering -> Verzekering bij schade op de reis, als de reis niet
doorgaat
- AVP -> Verzekering die schade vergoed als de verzekerde aansprakelijk is
(schade aan anderen door jou)
- Arbeidsongeschiktheidverzekering -> Verzekerd als je arbeidsongeschikt
wordt, je krijgt dan een uitkering
- Autoverzekering -> Verzekerd autoschade, is verplicht
- Levensverzekeringen -> Heeft met verzekeren van het leven te maken
- Uitvaartverzekeringen -> Geeft een uitkering voor de kosten van een uitvaart
- Lijfrente verzekering -> Vanaf bepaalde leeftijd krijg je een uitkering per
maand, aanvulling op pensioen
- Overlijdensrisicoverzekering -> Verzekering op risico overlijden,
nabestaanden blijven hierdoor niet met een grote schuld rondlopen
Hoofdstuk 2
§1 Kredieten
- Studiefinanciering
- Studievoorschot -> Lening voor student tegen voordelige voorwaarden,
studenten kunnen zelf bepalen hoeveel geld er wordt geleend
- Aanvullende beurs -> Gift van de overheid, na 10 jaar geen diploma dan
terugbetalen
- Consumptief krediet
- Door consument afgesloten lening voor kopen van onroerend goed
- Lenen tegen een % interest per termijn
- Geldnemer -> Consument
- Geldgever -> Bank
- Kredietkosten:
- Verzekeringskosten
- Administratiekosten
- Rente
, - Persoonlijke lening -> Lening aan consument voor aanschaf duurzame consumptie
goederen.
- Niet flexibel, aflossen moet maandelijks met een annuïteit (rente +
aflossingen)
- Doorlopend krediet -> Lening waarbij je van te voren een maximaal bedrag afspreekt
- Er wordt rente betaald over het opgenomen bedrag, aflossen kan op ieder
moment
- Bedrag dat eerder is afgelost mag je opnieuw opnemen
- Rente is variabel
- Huurkoop -> Krediet verstrekt voor aanschaf van duurzame consumptiegoederen
- In termijnen terug betalen, pas als het laatste termijn is betaald ben je de
eigenaar
- Vooraf is de looptijd, rente en aflossing vastgelegd
- Koop op afbetaling -> Krediet verstrekt voor aanschaf duurzame
consumptiegoederen
- Je bent gelijk eigenaar
- Hoge rente en lange tijd aflossen via termijnen
- Geldgever
- Voordeel -> Ontvangt veel rente
- Nadeel -> Wordt er teveel geleend is er een kans dat het niet terug
betaald kan worden
- Je zit vast aan de koop van je product
§2 Interest
- Enkelvoudig interest -> Rente wordt berekend over oorspronkelijk kapitaal
- K x P x T / 100 x N = Rente
- K -> Kapitaal
- P -> Percentage
- T -> Tijd
- Samengesteld interest -> Rente wordt berekend over het oorspronkelijke kapitaal +
rente
- Bij sparen -> Samengesteld interest
- Bij lenen -> Enkelvoudig interest
Hoofdstuk 3
§1 Huren
- Inkomensafhankelijk huurbeleid
- Overheid geeft aan hoeveel % de huur maximaal mag stijgen
- Scheefwonen -> Te goedkoop/Te duur wonen in verhouding met het inkomen
- Huren
- Rechten -> Woongenot, privacy
- Plichten -> Huur op tijd betalen, woning goed gebruiken
- Voordeel
- Kort opzegtermijn
- Geen risico op daling van de woningwaarde
- Huurtoeslag
- Geen groot onderhoud
- Geen opstalverzekering