Natuurkunde samenvatting 2 vwo
Hoofdstuk 4, Elektriciteit.
Paragraaf 1: Elektrische lading en spanning
Elektrische lading
Stoffen bestaan uit allemaal kleine deeltjes, atomen. Atomen bestaan uit een
atoomkern met daaromheen hele kleine bewegende deeltjes die elektronen
heten. De atoomkern is positief geladen en de elektronen negatief. Gelijke
ladingen stoten elkaar af en tegengestelde ladingen trekken elkaar aan.
Positief geef je aan met een +
Negatief geef je aan met een –
Statische elektriciteit
Statische elektriciteit ontstaat door wrijving. Bij wrijving tussen 2 voorwerpen
kunnen elektronen loskomen van hun atoom en overspringen naar het andere
voorwerp. Eerst zijn beide voorwerpen elektrisch neutraal en daarna heeft het
ene voorwerp een overschot aan negatieve lading en het andere een tekort.
Het ene voorwerp is dan positief geladen en het andere negatief.
Elektrische spanning
Als je een trui uittrekt hoor je soms geknetter. Door de wrijving van het
uittrekken van de trui worden de trui en je haar elektrisch geladen. Het
overschot aan elektronen op de trui wordt aangetrokken door de positieve
lading op het haar. Er staat dan elektrische spanning tussen. Hoe groter het
verschil in lading groter wordt, hoe meer de spanning toeneemt. De spanning
kan zo groot worden dat het overschot aan elektronen via de lucht
terugstroomt. Dat heet ontladen. Na een ontlading is er geen spanning meer.
, Spanningsbronnen
Bij statische elektriciteit duurt een ontlading kort en na de ontlading is de
spanning direct weg. Dat is dus niet geschikt om elektrische apparaten op te
laten werken. Daarvoor heb je namelijk constante spanning en blijvende
stroom van elektronen nodig.
Spanningsbronnen zorgen voor een constante spanning, voorbeelden zijn; een
accu, batterij en stopcontact. Ze leveren de energie die nodig is om apparaten
te laten werken. Hoe hoger de spanning is, hoe meer energie de spanningsbron
kan leveren.
Spanning meten
Symbool voor spanning: U
Eenheid: volt (V)
Je meet de spanning met een spanningsmeter (voltmeter). Je sluit een
spanningsmeter met 2 draden aan op de polen van de spanningsbron.
Een batterij heeft een spanning van 1,5 V, een accu van 12 of 24 V en een
stopcontact van 230 V. Dat schrijf je dan op als U= 230 V
Paragraaf 2: Stroomkringen
Geleiders en isolatoren
Geleiders = Stoffen waar elektronen makkelijk doorheen stromen.
Voorbeelden: IJzer, koper en aluminium .
Isolatoren = Stoffen waar elektronen niet of moeilijk doorheen gaan.
Voorbeelden: Hout, lucht en plastic.
Elektrische geleiding is een stofeigenschap.
Gesloten stroomkring
Elektrische stroom: Er moet constante stroom van elektronen door het
apparaat lopen.
Hoofdstuk 4, Elektriciteit.
Paragraaf 1: Elektrische lading en spanning
Elektrische lading
Stoffen bestaan uit allemaal kleine deeltjes, atomen. Atomen bestaan uit een
atoomkern met daaromheen hele kleine bewegende deeltjes die elektronen
heten. De atoomkern is positief geladen en de elektronen negatief. Gelijke
ladingen stoten elkaar af en tegengestelde ladingen trekken elkaar aan.
Positief geef je aan met een +
Negatief geef je aan met een –
Statische elektriciteit
Statische elektriciteit ontstaat door wrijving. Bij wrijving tussen 2 voorwerpen
kunnen elektronen loskomen van hun atoom en overspringen naar het andere
voorwerp. Eerst zijn beide voorwerpen elektrisch neutraal en daarna heeft het
ene voorwerp een overschot aan negatieve lading en het andere een tekort.
Het ene voorwerp is dan positief geladen en het andere negatief.
Elektrische spanning
Als je een trui uittrekt hoor je soms geknetter. Door de wrijving van het
uittrekken van de trui worden de trui en je haar elektrisch geladen. Het
overschot aan elektronen op de trui wordt aangetrokken door de positieve
lading op het haar. Er staat dan elektrische spanning tussen. Hoe groter het
verschil in lading groter wordt, hoe meer de spanning toeneemt. De spanning
kan zo groot worden dat het overschot aan elektronen via de lucht
terugstroomt. Dat heet ontladen. Na een ontlading is er geen spanning meer.
, Spanningsbronnen
Bij statische elektriciteit duurt een ontlading kort en na de ontlading is de
spanning direct weg. Dat is dus niet geschikt om elektrische apparaten op te
laten werken. Daarvoor heb je namelijk constante spanning en blijvende
stroom van elektronen nodig.
Spanningsbronnen zorgen voor een constante spanning, voorbeelden zijn; een
accu, batterij en stopcontact. Ze leveren de energie die nodig is om apparaten
te laten werken. Hoe hoger de spanning is, hoe meer energie de spanningsbron
kan leveren.
Spanning meten
Symbool voor spanning: U
Eenheid: volt (V)
Je meet de spanning met een spanningsmeter (voltmeter). Je sluit een
spanningsmeter met 2 draden aan op de polen van de spanningsbron.
Een batterij heeft een spanning van 1,5 V, een accu van 12 of 24 V en een
stopcontact van 230 V. Dat schrijf je dan op als U= 230 V
Paragraaf 2: Stroomkringen
Geleiders en isolatoren
Geleiders = Stoffen waar elektronen makkelijk doorheen stromen.
Voorbeelden: IJzer, koper en aluminium .
Isolatoren = Stoffen waar elektronen niet of moeilijk doorheen gaan.
Voorbeelden: Hout, lucht en plastic.
Elektrische geleiding is een stofeigenschap.
Gesloten stroomkring
Elektrische stroom: Er moet constante stroom van elektronen door het
apparaat lopen.