100% satisfaction guarantee Immediately available after payment Both online and in PDF No strings attached 4.2 TrustPilot
logo-home
Summary

Samenvatting Gedrag in de klas

Rating
-
Sold
-
Pages
120
Uploaded on
05-01-2022
Written in
2020/2021

Volledige samenvatting voor het tentamen.

Institution
Course











Whoops! We can’t load your doc right now. Try again or contact support.

Connected book

Written for

Institution
Study
Course

Document information

Summarized whole book?
No
Which chapters are summarized?
1, 2, 3, 4 en 9
Uploaded on
January 5, 2022
Number of pages
120
Written in
2020/2021
Type
Summary

Subjects

Content preview

Samenvatting literatuur gedrag in de klas
HC1 HGW+HGD en de sociaal-emotionele ontwikkeling (SEO)
Ploeg, J. van der (2019). De sociale ontwikkeling van het schoolkind.
H1 Het sociale ontwikkelingstraject
Geslaagde sociale ontwikkeling = kinderen kunnen goed met andere kinderen omgaan (spelen,
samenwerken, samen delen) en zijn in staat alledaagse bij de leeftijd passende problemen op te
lossen  sociale competentie  je vertoont sociaal gedrag.

Vaardigheden:
1. participeren / initiatief nemen in sociale interacties.
2. oog voor wat andere kinderen leuk vinden.
3. regels en afspraken volgen.
beheers je dit goed, dan wordt je vaker opgenomen in vriendengroepen. Je hebt meer vrienden.

Aspecten:
1. situatie = wát sociaal competent gedrag is verschilt per situatie.
2. nieuwe/onverwachte/gespannen situaties = ook dán moet je sociaal competent handelen.
3. integraal begrip = sociale competentie is geen verzameling losse elementen, maar één geheel met
ook emotionele en cognitieve kanten.
4. perspectief van betrokken personen = beoordeling of je sociaal competent handelt is afhankelijk
van het perspectief waaruit je kijkt, verschil per persoon.
5. relatie tot anderen = het is geen persoonlijkheidskenmerk, maar komt tot uiting bij anderen.

Ontwikkeling. Het ik en de ander
Egocentrisch  sociaal competent.
‘ik’ ‘en de ander’

Wat moet je hierbij leren? Rekening houden met andermans behoeften, prioriteiten en doelen.
Daarmee leren omgaan en conflicten vermijden.
Belangrijk om een evenwicht te vinden/bewaren tussen eigen en andermans belangen. Integreren.
Om jezelf te ontplooien moet je relaties met anderen hebben.

Verwant begrip: perspectief nemen

Gaat een stap verder dan ‘ik en de ander’  je moet leren begrijpen vanuit welk perspectief de
ander denkt en handelt  verplaatsen in de positie van een ander (= TOM).

Aspecten:
1. begrijpen/aanvoelen gevoelens van jezelf en de ander.
2. begrijpen invloed eigen gedrag op de gevoelens van de ander (= anticiperen).
3. niet alleen letten op het uiterlijk waarneembare gedrag. Begrijp waarom andere kinderen zich op
een bepaalde manier gedragen.

Wat als je dit niet kan? Minder populair, afwijzingen, geen vrienden. Problematisch gedrag en
schoolprestaties blijven achter  negatieve spiraal.

Interpersoonlijke sensitiviteit: ontwikkeling ‘antenne’ om aan te voelen wat er speelt in onderlinge
relaties.


1

,Ontwikkelingsverloop sociale vaardigheden
Geen lineaire ontwikkeling, maar grillig verloop! Tempo verschilt per kind  veel differentiatie!




Proces: uitvoeren en oefenen van een hele reeks kleine en grote sociale handelingen.
Leren hoe je vrienden maakt, ruzies bijlegt, situaties doorziet en rekening houdt met anderen.




Sociale ontwikkeling en probleemgedrag
= Sterk verband! Sociaal incompetent gedrag ~ toekomstig probleemgedrag.

Negatieve gevolgen: geen vrienden, gedragsproblemen (agressie/angst/alcoholverslaving/
delinquentie). Reden: geen aansluiting leeftijdgenoten  weinig gelegenheid om te leren hoe je met
elkaar omgaat  negatieve spiraal  +isolement  +problematisch gedrag.

Sociaal vaardige kinderen:
- hogere vormen van onderwijs
- Betere sociale en communicatie vh
- Meer sociabel en coöperatief
- Minder agressief
- Meer vrienden
- Fysiek gezonder
- Minder kans op verslaving/criminaliteit

Socialisatie
= ontwikkeling tot volwassene die zich in de samenleving kan handhaven en functioneren. Niet alleen
stimulatie sociale ontwikkeling, maar ook cognitieve en emotionele groei.
Eerste opvoedingsmilieu: gezin
Tweede opvoedingsmilieu: school
Derde opvoedingsmilieu: vrije tijd




2

,Andere beïnvloedingsfactoren: SES (woonbuurt, inkomsten, behuizing, opleiding en
gezinssamenstelling) en biologische factoren.

Vriendschappen

Waardering
Afwijzing
Zondebok

Hulp en steun
Spelen en samenwerken

Externaliserend: agressief
Internaliserend:
terugtrekken, angstig.



Let op: schema is niet eenzijdig. Wisselwerking!

H7 Waarom kiezen kinderen voor elkaar?
3 benaderingen:
- Afstemmingsmodel: match? Dan kies je voor elkaar:
● Je lijkt (niet) op elkaar
Gelijkheid  aantrekkingskracht (persoonlijkheid, gedrag, opvattingen en interesses).
Maar pas op doppelgängereffect: te grote onderlinge gelijkheid, waardoor je niet jezelf kan zijn.
Kinderen kiezen primair voor elkaar op basis van bestaande gelijke kenmerken. Niet omdat ze meer
op elkaar zouden gaan lijken na een langere wederzijdse relatie.
Gelijkenis werkt als beschermende factor bij spanningen in onderlinge relatie.

Ongelijkheid  aantrekkingskracht (tegenovergestelde). Intuïtief.
Reden: meer ruimte voor ieders zelfontplooiing, je doet meer ervaringen en contacten op (want
ieder kind met eigen karaktereigenschappen maakt andere gebeurtenissen mee).
Dergelijke relaties gaan meestal niet zo diep en duren niet lang.

Wetenschappelijke veronderstellingen:
- Niet de gelijkheid brengt kinderen dichter bij elkaar, maar de ongelijkheid drijft uiteen.
- Betekenis van de eerste ontmoetingen. Effect van ontdekking van ongelijkheid.
- Kinderen die bang zijn relaties aan te gaan of liever meer op zichzelf blijven, voelen zich meer
aangetrokken tot kinderen met ongelijke kenmerken  oppervlakkige relatie (wat ze willen).

● Je vult elkaar aan
Complementariteit: de een heeft wat de ander mist.
Lijkt op ongelijkheidsmodel, maar verschilt want complementariteit verwijst naar aanvullende
eigenschappen die niet per se tegengesteld hoeven te zijn.

● Je bent op elkaar gesteld
= je mag elkaar. is dat niet zo en heb je een vermoeden dat een ander jou niet mag, dan keer je je af.
regel van wederkerigheid.
2 verklaringen:
- Kinderen die elkaar mogen vergroten elkaars gevoel van eigenwaarde  waardering.
- Kinderen die elkaar mogen nemen het voor elkaar op, zijn loyaal en zorgen voor elkaar.

3

, - Kenmerkenmodel: aard van de kenmerken die een rol spelen in het keuzeproces.
Persoonlijkheidskenmerken, demografische kenmerken, biologische kenmerken en fysieke
kenmerken.



introvert (afwachtend, terughoudend)
gesloten (passief, behoudend, weinig ideeën
onaangenaam (agressief, egoïstisch)
omstreden (onbetrouwbaar, zet niet door)
instabel (kwetsbaar,onzeker,geen evenwicht

Waardering of niet?  wordt sterk beïnvloed door het gezin. Ook subculturele invloeden (SES).
Later door ervaring  standpuntbepaling  attitudevorming, 3 componenten:
- Cognitief: vorming van opvattingen en overtuigingen.
- Affectief: gevoelens.
- Conatief : gedragsintenties/neiging tot een bepaalde reactie.

Andere kenmerken die een rol spelen in het onderlinge keuzeproces:
- Leeftijd
- Sekse
- Woonbuurt
- Fysieke kenmerken
- Sociale status ~ inkomen, de buurt, leefwijze en beroep  gedragsstijl. Maar je kan ook
denken aan de positie van iemand binnen de schoolklas = sociometrische status (hoog zoekt
hoog en laag zoekt laag).
- Leefstijl: kleding, haardracht en muzikale voorkeur.

- Behoeftemodel: onderlinge relatie komt tegemoet aan verlangens en wensen. Vb) samen
spelen, gewaardeerd worden.
1) behoefte aan contact: balans! Voor de sociale ontwikkeling zijn contacten belangrijk, maar niet te
veel/te weinig.
2) behoefte aan samen spelen: spelenderwijs leren kinderen zich te houden aan regels (van het
sociale verkeer).
3) behoefte aan waardering: nodig voor ontwikkeling van een positief zelfbeeld. Kinderen met een
negatief zelfbeeld zijn gauw onzeker, laten initiatieven achterwege omdat ze bang zijn te falen en
kruipen snel in hun schulp. Kinderen kunnen niet zonder waardering, maar mate verschilt.
4) behoefte aan zekerheid: veiligheid, geborgenheid, bescherming en steun.
5) behoefte aan nabijheid/affiliatie: toenadering. Kinderen die zich onzeker of angstig voelen, zijn
sterker geneigd om contact te zoeken met anderen  doel: je veiliger voelen.

H8 Vriendschappen
Sullivan (1953) – twee aspecten van vriendschappen:
1) positieve factor in de ontwikkeling van kinderen: vriendschap = streven naar wederzijdse
betrokkenheid en vertrouwen  ontwikkeling gevoeligheid voor anderen.
2) begint pas in de prepuberteit (8-10 jaar). Reden: jonge kinderen = te weinig psychische bagage.

Vriendschap = blijvende relatie tussen (meestal) leeftijdgenoten, gebaseerd op betrouwbaarheid.

Je houden aan je afspraak, nakomen wat je hebt beloofd, geheim bewaren, gevoelens/gedachten
uitwisselen en niet doorvertellen.


4

Get to know the seller

Seller avatar
Reputation scores are based on the amount of documents a seller has sold for a fee and the reviews they have received for those documents. There are three levels: Bronze, Silver and Gold. The better the reputation, the more your can rely on the quality of the sellers work.
fnieuwkamp Rijksuniversiteit Groningen
Follow You need to be logged in order to follow users or courses
Sold
33
Member since
6 year
Number of followers
26
Documents
17
Last sold
1 month ago

3.0

3 reviews

5
0
4
1
3
1
2
1
1
0

Recently viewed by you

Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Frequently asked questions