Overzicht Gebit
Embryologie
Het gebit heeft een mesenchymale oorsprong.
1. Ectodermaal kaakepitheel heeft een laminaire ingroei vanuit het gingiva epitheel. Dit
vormt de lamina dentalis. (A)
2. Tandknoppen/kiem ontwikkelen in deze lamina dentalis (B)
3. De tandknoppen/kiem stulpen in en tandklokjes ontstaan. Deze
tandklokjes/emailorgaan zijn ectodermaal en gaan het glazuur van de tand vormen.
(B)
4. Binnenin het emailorgaan verdikt
het kaakmesenchym zich tot
tandpapil waaruit zich dentine en
de pulpa gaan vormen. Dit
gebeurd mesodermaal vanuit
neurale lijstcellen. (B)
5. Vanuit het tandklokje zijn
ameloblasten ontstaan. Deze
cellen worden naar de periferie
geduwd, gaan glazuur vormen en
atrofiëren (C+D)
6. Binnen het tandklokje ontstaan
odontoblasten die voor de
vorming van dentine zorgen (hele
leven lang). (C+D)
7. De tandkiem voor de permanente/volwassen tand ontwikkeld ook uit de lamina
dentalis. De verbinding tussen het emailorgaan het het oppervlak verdwijnt dan. (B)
8. De ontwikkeling van de tandwortel begint bij de aanstaande doorbraak en zet zich
voort totdat de tand in een rij staat met de omgeven elementen.
9. Mesenchym rond de wortel differentieert tot cementoblasten die cement gaan
produceren.
Diersoortverschillen
De gebitten van dieren kunnen erg verschillen doordat ze een verschillend dieet hebben.
Aan de hand van het gebit kan de indeling tussen omnivoren, herbivoren, carnivoren en
insectivoren gemaakt worden. De classificatie van gebitten kan op verschillende manieren
gedaan worden: vorm/functie, aantal tandwisselingen, manier van tandwisselingen, duur van
groeiperiode van gebitselementen en de lengteverhouding tussen de kroon en wortel.
Vorm en functie
Homodonte gebitten hebben elementen die
allemaal gelijk zijn van vorm. Reptielen en
vissen hebben een homodont gebit.
Heterodonte gebitten bevatten elementen met
een verschillende vorm en functie. Dit gebit
komt voor bij de meeste zoogdieren. Er zijn 4
verschillende onderdelen in dit gebit: dentes
Embryologie
Het gebit heeft een mesenchymale oorsprong.
1. Ectodermaal kaakepitheel heeft een laminaire ingroei vanuit het gingiva epitheel. Dit
vormt de lamina dentalis. (A)
2. Tandknoppen/kiem ontwikkelen in deze lamina dentalis (B)
3. De tandknoppen/kiem stulpen in en tandklokjes ontstaan. Deze
tandklokjes/emailorgaan zijn ectodermaal en gaan het glazuur van de tand vormen.
(B)
4. Binnenin het emailorgaan verdikt
het kaakmesenchym zich tot
tandpapil waaruit zich dentine en
de pulpa gaan vormen. Dit
gebeurd mesodermaal vanuit
neurale lijstcellen. (B)
5. Vanuit het tandklokje zijn
ameloblasten ontstaan. Deze
cellen worden naar de periferie
geduwd, gaan glazuur vormen en
atrofiëren (C+D)
6. Binnen het tandklokje ontstaan
odontoblasten die voor de
vorming van dentine zorgen (hele
leven lang). (C+D)
7. De tandkiem voor de permanente/volwassen tand ontwikkeld ook uit de lamina
dentalis. De verbinding tussen het emailorgaan het het oppervlak verdwijnt dan. (B)
8. De ontwikkeling van de tandwortel begint bij de aanstaande doorbraak en zet zich
voort totdat de tand in een rij staat met de omgeven elementen.
9. Mesenchym rond de wortel differentieert tot cementoblasten die cement gaan
produceren.
Diersoortverschillen
De gebitten van dieren kunnen erg verschillen doordat ze een verschillend dieet hebben.
Aan de hand van het gebit kan de indeling tussen omnivoren, herbivoren, carnivoren en
insectivoren gemaakt worden. De classificatie van gebitten kan op verschillende manieren
gedaan worden: vorm/functie, aantal tandwisselingen, manier van tandwisselingen, duur van
groeiperiode van gebitselementen en de lengteverhouding tussen de kroon en wortel.
Vorm en functie
Homodonte gebitten hebben elementen die
allemaal gelijk zijn van vorm. Reptielen en
vissen hebben een homodont gebit.
Heterodonte gebitten bevatten elementen met
een verschillende vorm en functie. Dit gebit
komt voor bij de meeste zoogdieren. Er zijn 4
verschillende onderdelen in dit gebit: dentes