100% satisfaction guarantee Immediately available after payment Both online and in PDF No strings attached 4.6 TrustPilot
logo-home
Summary

Duidelijke samenvatting van belangrijkste hoofdtukken Klinische psychologie 1

Rating
-
Sold
-
Pages
44
Uploaded on
09-12-2021
Written in
2019/2020

De belangrijkste hoofdstukken worden uitgelegd. Onderbouwd met video links en plaatjes. Begrippen krijgen duidelijke uitleg.

Institution
Course











Whoops! We can’t load your doc right now. Try again or contact support.

Connected book

Written for

Institution
Study
Course

Document information

Summarized whole book?
No
Which chapters are summarized?
Hoofdstuk 1 t/m 7 + h11, h12, h13, h25
Uploaded on
December 9, 2021
Number of pages
44
Written in
2019/2020
Type
Summary

Subjects

Content preview

Klinische psychologie 1
College 1
Hoofdstuk 1 abnormaal gedrag
- Hoogleraar Duijker  onderscheidt basisdisciplines en toepassingsgerichte disciplines in de
psychologie

Basisdisciplines:
- Functieleer
- Ontwikkelingspsychologie
- Sociale psychologie
- Persoonlijkheidspsychologie
- Methodeleer

Toepassingsgerichte disciplines:
- Klinische en gezondheids psychologie
- Arbeids en organisatie psychologie
- Onderwijspsychologie

Normaal of abnormaal
Waar kijken we naar?
- Zijn er binnen een persoon afwijkende gedachten, gedrag of belevingen? (individu)
- In relatie tot andere mensen (overbezorgd, extreem agressief of extreem teruggetrokken)

Dit kan alleen worden verklaard tegen de achtergrond van normale processen. We weten alleen
wanneer iets abnormaal is wanneer we weten hoe het normale functioneren is.

Kennis van de normale psychologische functies (waarnemen, denken, geheugen), …

Psychiater  mag diagnoses stellen, recht om psychofarmaca uit te schrijven
Klinisch psychologie  academische opleiding in de psychologie, mag ook diagnoses stellen

Aspecten van abnormaal gedrag
7 factoren die bepalen of gedrag pathologisch wordt beschouwd (Seligman, Walker en Rosenhan)
1. Persoonlijk lijden (wanneer de persoon er last van heeft)
2. De (dis)functionaliteit van het gedrag (het gedrag is niet helpend, onhandig gedrag, dingen
vermijden)
3. Irrationeel en onbegrijpelijk gedrag (onlogisch gedrag, je omgeving begrijpt je gedrag niet,
dingen die nergens op slaan maar je toch blijft doen, bijvoorbeeld dwanghandelingen)
4. Onvoorspelbaarheid en controleverlies (als dingen anders zijn dan we gewend zijn)
5. Opvallend en onconventioneel gedrag (kleding)
6. Gedrag dat een ongemakkelijk gevoel bij anderen teweegbrengt
7. Het overtreden van morele normen (overtreden van ongeschreven regels)

Psychische stoornis
Een syndroom gekenmerkt door klinische significante symptomen op het gebied van cognitieve
functies, de emotieregulatie, of het gedrag van een persoon, dat een uiting is van een disfunctie in de
psychologische, biologische of ontwikkelingsprocessen die…..


3 uitsluitende omstandigheden
1. Te verwachten en cultureel aanvaardbare reacties.

, 2. Deviant gedrag dat voortvloeit uit het behoren tot een politieke, religieuze of seksuele
minderheid.
3. Afwijkend gedrag moet niet voortkomen uit een persoonlijk conflict tussen het individu en de
maatschappij.

Waar ligt de grens?
3 modellen
- Statistisch model  Je hebt een gemiddelde en naarmate dat verder afwijkt dan vinden we
dat abnormaal of afwijkend (de normaalverdeling) IQ, angstklachten (de eigenschap moet in
elke persoon aanwezig zijn in een bepaalde mate)
Kritiek: Wanneer bepaal je de grens, waar ligt de grens? En het specificeert niet hoe
ongewoon het gedrag moet zijn voordat het abnormaal is. Het is onduidelijk of er sprake is
van individueel lijden.

- Medisch of ziektemodel  Psychologische stoornissen lijken op somatische stoornissen en
moeten verholpen worden door de onderliggende mechanismen te bestrijden. (je bent ziek,
je moet geholpen worden en na zo veel tijd ben je weer beter’’) Het gaat hier om het
onderliggende probleem. Er is sprake van een onderliggend mechanisme wat niet goed
functioneert. Als je dat oplost is het probleem verholpen. Bij sommige psycho klachten kan
dat. Er is niet altijd een onderliggend mechanisme (soms moet iemand dingen verwerken en
dan werken medicijnen bijvoorbeeld niet)  dan werkt dit model niet
Kritiek: Bij veel psychologische stoornissen is er geen onderliggend mechanisme aangetoond
en stigmatisering (je krijgt een label)

- Leer of- onderwijsmodel  Er is iets aan de hand, er komt een hulpvraag dit wordt bepaald
door leraar en leerling, je gaat hiermee aan de slag, je hoopt op vermindering en verbetering.
Je gaat aan de slag met het persoonlijk lijden. Het gaat erom wat je zelf inbrengt en wat jij
abnormaal vind. Het gaat om persoonlijk lijden, waar een hulpvraag uit komt en daar ga je
mee aan de slag.
Kritiek: Demarcatie of afgrenzingscriterium
Voordelen: Individueler en minder stigmatisering

,College 2
Hoofdstuk 2 Biologische benadering
Biologische benadering: de hersenen zijn in hoge mate betrokken bij het tot stand komen van
(psychopathologisch) gedrag (het gedrag wat we zien). Een jonge stroming. Door techniek kunnen we
nu goed zien wat er in de hersenen gebeurd, waar bijvoorbeeld activiteiten in de hersenen plaats
vinden.

2 vormen van psychopathologie
Externaliserend
Gedrag dat naar buiten toe gericht is. Je gaat iets zoeken om jezelf te uiten. Heeft te maken met
onder activiteit van het autonome zenuwstelsel (hartslag, schrikreflex, huidgeleiding) . Je krijgt te
weinig prikkels (verslaving etc.)

Internaliserend
Overactiviteit van het autonome zenuwstelsel. Mensen zonderen zich eerder af. Je houd het voor
jezelf. Teveel prikkels is alleen maar vervelend.

Genetische aanleg bepalen
Familiestudies  kan te maken hebben met de genen of met de omgevingsfactoren omdat je in een
zelfde soort omgeving op groeit. Erfelijkheid etc.

Tweelingstudies  2eiige tweelingen vergelijken met 1eiiige tweelingen.
Concordantiecoëfficiënt een maat die bepaald hoe groot de kans is dat iets genetisch bepaald is (dat
iets verklaard kan worden door de genen)
Hoe hoger de concordantie, hoe meer verklaard kan worden door genetica

Adoptiestudies  geadopteerde kinderen zijn genetisch gelijk aan hun biologische ouders en delen
geen genetisch materiaal met hun adoptie ouders. Ze delen wel dezelfde omgevingsfactoren met
hun adoptieouders.

Predispositie  een bepaalde genetische overgevoeligheid (blanke huid  verbranden etc.)

Differential susceptibility theory  genetische vatbaarheid alleen in combinatie met een bepaalde
omgeving (je verbrand alleen als je de zon in gaat)

Diathese-stress model  als vatbare personen in een negatieve omgeving opgroeien, hebben ze
meer kans op ene negatieve uitkomst (als er een gevoeligheid is voor schizofrenie vanwege je
erfelijkheid, of somberheid  wanneer je omgeving negatief wordt of is zal dit tot uiting komen)

In de hersenen
In de hersenen worden prikkels doorgegeven. Signalen worden doorgezonden. Er zijn
neurotransmitters (stofjes die worden doorgeven)

Dingen die kunnen mis gaan:
1. productie (van neurotransmitters te veel of te weinig)
2. katabolisme (chemische afbraak neurotransmitters, te veel of te weinig)
3. heropname (re-uptake via receptoren van de presynaps, autoreceptoren, voordat
neurotransmitters postsynaps bereiken)

Dit heeft effect op de gedragingen die iemand laat zien.

, Reductionisme
Een wetenschapper zoekt naar één of een beperkt aantal onderliggende mechanismen om gedrag te
verklaren.

Biologische benadering
De hersenen zijn in hoge mate betrokken bij het tot stand komen van (psychopathologisch) gedrag.

Broca's afasie  taalstoornis (de uitspraak van het woord, daar kunnen ze niet opkomen)
https://www.youtube.com/watch?v=6zNKz7YoUao&t=31s

Wernicke afasie  taalstoornis (wel woorden uitspreken maar betekenis niet weten)
https://www.youtube.com/watch?v=3oef68YabD0

Von Krafft-Ebing → dementia paralytica
(door syfilis)

Risico´s reductionisme:
 Frontale lobotomie
 Cingulotomie: vaak bij OCD (er wordt schade aangebracht
 Deep brain stimulation (dunne naalden ingebracht, hersendelen actief maken of deactiveren
door stroomschokjes; bijvoorbeeld bij mensen met stemmingsklachten)

Externaliserend v.s internaliserend
Externaliserend
• Onder activiteit van het autonome zenuwstelsel (hartslag, schrikreflex, huidgeleiding).

Internaliserend
• Overactiviteit van het autonome zenuwstelsel.

Genotype v.s fenotype
Genotype
Genetische bagage van een persoon. (je genen, je DNA, wat je mee hebt gekregen)

Fenotype
Observeerbare fysieke en gedragsmatige kenmerken. (gedrag, en wat je ziet)

Genotype-omgeving-correlatie
Het genotype is van invloed op de ervaringen die een persoon met zijn omgeving heeft.

Genotype-omgeving-interactie
Mensen met verschillende genotypen zijn in verschillende mate gevoelig voor hun omgeving.

Single – gene disorders
Psychische stoornissen zijn geen single-gene disorders. Meerdere genen dragen bij. Er wordt geen
stoornis overgedragen, maar eerder een bepaalde kwetsbaarheid.




Temperament
$5.12
Get access to the full document:

100% satisfaction guarantee
Immediately available after payment
Both online and in PDF
No strings attached

Get to know the seller
Seller avatar
NinadH
4.0
(1)

Also available in package deal

Get to know the seller

Seller avatar
NinadH HBO Drechtsteden
Follow You need to be logged in order to follow users or courses
Sold
6
Member since
7 year
Number of followers
5
Documents
22
Last sold
7 months ago

4.0

1 reviews

5
0
4
1
3
0
2
0
1
0

Recently viewed by you

Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Frequently asked questions