100% satisfaction guarantee Immediately available after payment Both online and in PDF No strings attached 4.6 TrustPilot
logo-home
Class notes

3.B.1. HC's, VO's & ZO's week 2, incl. slimstuderen

Rating
-
Sold
-
Pages
20
Uploaded on
07-03-2015
Written in
2012/2013

Collegedictaat van 20 pagina's voor het vak 3.B.1. aan de EUR

Institution
Course










Whoops! We can’t load your doc right now. Try again or contact support.

Written for

Institution
Study
Course

Document information

Uploaded on
March 7, 2015
Number of pages
20
Written in
2012/2013
Type
Class notes
Professor(s)
Unknown
Contains
All classes

Content preview

Samenvatting week 2

Epileptische aanval: overprikkeldheid van de corticale neuronen leidt tot een
hypersynchrone ontlading van alle/ een grote groep exciterende neuronen in de
cortex.

Er is sprake van epilepsie als een patiënt twee of meer geprovoceerde
epileptische aanvallen heeft gehad.

Ongeveer 100.000 mensen hebben epilepsie. Epilepsie ontstaat het meest in de
jeugd (voor 20e jaar) en op oudere leeftijd (na 65e jaar). 54% is jonger dan 12
jaar.

Soort epileptische aanvallen
- Partiële aanvallen: ontlading van deel van hersenen.
o Is een gebied in de hersenen aan te wijzen waar epileptische
activiteit is gegenereerd
o Plaats waar epileptische aanval ontstaat, bepaald de symptomen
ten tijde van de aanval.
o Zonder bewustzijnsdaling: enkelvoudig partieel (kan overal zitten)
o Met bewustzijnsdaling: complex partieel (meestal temporaal,
frontaal)
o Met secundaire generalisatie: aanval begint partieel, maar
generaliseert in tweede instantie.
- Gegeneraliseerde aanval: alle cellen in hersenen doen mee
o Convulsieve aanvallen: gegeneraliseerde tonisch-clonische
aanvallen
 Plots bewustzijnsverlies, geen aura
 Verkramping van spieren van romp, armen en benen: tonische
fase
 Verkramping larynx: aanval begint met kreet
 Verkramping kaakmusculatuur: tongbeet
 Verkramping bekkenbodem: incontinentie
 Gevolgd door clonische fase: trekking in alle extremiteiten
 Meeste aanvallen duren gemiddeld 2 a 3 minuten. Daarna wel
nog bewustzijnsdaling en uitputting.
 Postictaal verward of juist slaperig; spierpijn en hoofdpijn,
braken
o Niet-convulsieve aanvallen: absences (vooral bij kinderen tot 12
jaar)
 Korte momenten van afwezigheid en staren: seconden
 Abrupt begin en einde
 Geringe motorische activiteit: knipperen ogen, trillen
onderkaak of handen
 Amnesie, kind gaat direct met bezigheden door
 Uit te lokken door hyperventilatie
- Absences
o Begin tussen 4-12 jaar
o Gaat over voor 20e jaar
o Ondanks korte aanvallen toch grote consequenties: kinderen missen
informatie op school.
o Vaak in combinatie met tonisch-clonische aanvallen
o Typische EEG: 3/sec piekgolfcomplexen

, o Vaak goed behandelbaar: valproaat, ethosuximide
- Lichtgevoelige (fotosensibele) epilepsie
o Aanvallen uitgelokt door lichtflitsprikkeling: TV, computerspelletjes,
disco, laagstaande zon
o Vanaf 6-22 jaar
o Anamnese!
o Leefregels, eventueel medicatie (valproaat)
o Gaat over
- Juveniele myoclonische epilepsie
o Myoclonieen bij ontwaken; laten alles uit hun handen vallen
o Sporadische gegeneraliseerde tonisch-clonische insulten (uitgelokt
door slaapgebrek, alcoholonthouding, stress of lichtflitsprikkeling)
o Begin tussen 12-18 jaar, blijft levenslang
o EEG: polypiekgolf complex
o Vaak positieve familie-anamnese
o Goed behandelbaar: valproaat, lamotrigine

Posticale parese: uitputting van neuronen. Daardoor is een deel (bijvoorbeeld een
arm) tijdelijk verlamd door de uitputting.

Complicaties gegeneraliseerde aanval
- Letsel: tongbeet, valpartij, fractuur
- Aspiratie hypoxie, verstikking
- Hyperpyrexie en hypermetabolisme
- Metabole acidose
- Cerebrale schade
- Spiervezelnecrose
- Vooral bij langdurige aanvallen (een convulsieve status epilepticus is
levensbedreigend)
Aanval langer dan 5min, of kortere aanvallen die recidiveren = status epilepticus

TIA: kortdurende, voorbijgaande aanvallen van neurologische
uitvalsverschijnselen die worden veroorzaakt door een tijdelijke, focale stoornis in
de bloedvoorziening. Bijvoorbeeld: hemiparese, afasie, dysartrie (vooral
negatieve symptomen).

Prikkelbaarheid
- Zenuwcellen zijn prikkelbaar: ze zijn elektrisch actief, ze kunnen
actiepotentialen genereren.
- Het gemak waarmee dat gaat, bepaalt hun prikkelbaarheid. De
prikkelbaarheid is dus een maat voor neiging van zenuwcellen om
actiepotentialen te generen.
- Bij epilepsie is de prikkelbaarheid van sommige zenuwcellen abnormaal
hoog.

Insulten ontstaan door overmatige ontlading door een abnormale prikkelbaarheid
van de cellen: het wordt te gemakkelijk om actiepotentialen te genereren.
Ontstaat door:
- Epileptische neuronen
- Epileptische neuronale netwerken. (De balans tussen excitatie en inhibitie
is verstoord.)

Prikkelbaarheid van 1 neuron wordt bepaald door:
- Ion-concentraties (Na, K, CL, Ca, Mg)

, - Ionkanalen (type, eigenschappen, dichtheid, verdeling)
- Synaptische inputs

Semi-permeabele membraan: selectief doorgankelijk voor een ion. Als er links en
rechts evenveel zit, is het verschil 0 mV potentiaalverschil.

Links 10 mM KCl, rechts 1 mM. K zullen dan van links naar rechts gaan. Potentiaal
zal links negatief worden vergeleken met rechts. Er gaan namelijk positieve ionen
naar rechts, dus links wordt negatiever. V 1-2 doe je. Dan kom je dus negatief uit.
Op het moment dat K naar rechts stromen, ontstaat er een potentiaalverschil.
Zorgt ervoor dat K aangetrokken wordt door negatieve potentiaal links. K die
positief geladen aangetrokken door negatieve lading, krijg je elektrische kracht
die tegengesteld is.
Chemische kracht van links naar recht. Links meer K dan rechts, dus stroomt naar
rechts.
Elektrische kracht van rechts naar links, links zit meer negatief geladen deeltjes.
Als die krachten in evenwicht zijn, zal er niet meer stromen. Als je selectieve
permeabiliteit hebt voor kalium, zal dit net zo lang gaan stromen, totdat je op het
evenwicht zit tussen elektrische en chemische kracht. Voor K: - 58 mV.

Dit reken je uit door:




Xo = concentratie buiten cel, Xi = concentratie binnen cel.

Log(10)= 1, als concentratie buiten de cel, 10x zo hoog is als binnen de cel.

In cellen is ook concentratieverschil. Heeft actieve Na/K pomp. 3 Na naar
buiten, 2 K naar binnen. Verbruik 1 ATP. Daardoor krijg je intra- en
extracellulaire vloeistof.
Na in cel wordt laag, K in cel hoog. Hierdoor is de evenwichtspotentiaal voor K
negatief en de evenwichtspotentiaal voor Na positief. Dit maakt het mogelijk dat
een cel actiepotentialen vuurt.

Eerst Na kanalen open, depolariseert cel. Na sluiten en K open:
membraanpotentiaal weer terug naar evenwichtspotentiaal van K.

Cl en Ca kanalen zijn er ook.
$4.17
Get access to the full document:

100% satisfaction guarantee
Immediately available after payment
Both online and in PDF
No strings attached

Get to know the seller
Seller avatar
Sophiep

Get to know the seller

Seller avatar
Sophiep Erasmus Universiteit Rotterdam
Follow You need to be logged in order to follow users or courses
Sold
7
Member since
10 year
Number of followers
4
Documents
84
Last sold
3 year ago

0.0

0 reviews

5
0
4
0
3
0
2
0
1
0

Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Frequently asked questions