glucosehuishouding
Inhoud
Hoofdstuk 2: organisatieniveaus paragraaf 2.2......................................................................................1
Hoofdstuk 12: stofwisseling paragraaf 12.1 t/m 12.5.............................................................................4
Hoofdstuk 2 vorm en bewegen p. tractus digestivus..............................................................................9
Hoofdstuk 17 Pathophysiologie fort he health profession p. review of the digestive system..............11
Hoofdstuk 2: organisatieniveaus paragraaf 2.2
Glycoproteïne: stof die bestaat uit eiwit en een koolhydraat
Lipoproteïne: stof die bestaat uit een vet en een eiwit
De meeste moleculen van organische stoffen zijn ketens van koostofatomen (C), waterstof (H),
zuurstof (O), en stikstof (N). In sommige stoffen kunnen fosfor, zwavel en ijzer voorkomen.
Er zijn drie groepen oplosbare stoffen:
1. Stoffen die goed oplossen in water (polaire stoffen, met één of meer elektrisch geladen
groepen in het molecuul)
2. Stoffen die slecht oplossen in water maar wel in vet (apolaire stoffen)
3. Stoffen die maar licht polair zijn en daardoor zowel in water als in vetten redelijk oplossen.
De wateroplosbaarheid van stoffen hangt af van de aanwezigheid van elektrisch geladen groepen.
Water is niet geladen maar heeft wel een polaire structuur.
, https://www.youtube.com/watch?v=vIiuCo_Vr6I
hydrofbe stoffen lossen wel goed op in vloeistoffen die uit apolaire moleculen bestaan zoals vetten
en andere lipiden; daarom worden ze ook wel lipofiel genoemd.
stoffen met een matig polair karakter kunnen in water en vet oplossen als koodioxide en alcohol.
Functie eiwitten:
Spiercontractie
Stevigheid en elasticiteit van huid,pezen en skelet
Zuurstoftransport in het bloed
Uitwisseling van stoffen tussen verschillende compartimenten in het lichaam
Afweerreacties tegen ziekteverwekkers
Versnellen van chemische processen (eiwitten met deze functie heten enzymen, ze hebben
een katalyserende werking)
Eerste 4,5 minuut: https://www.youtube.com/watch?v=fqBC3yZCQK0
De zogenoemde restgroepen kunne polair, apolair, zuur of basisch zijn. Eiwitten die veel polaire
zuren en basische restgroepen bevatten lossen gemakkelijk op in water. Bij veel apolaire restgroepen
lost het eiwit gemakkelijk op in vet. Deze eiwitten komen voor in memebranen.
Je kunt de bouw van eiwitten in 4 structuren onderscheiden. Voorbeeld hemoglobinemolecuul (HB):