Casus 12: Rood been
1. Hoe werkt de bloedstolling?
Hemostase is het proces waarin bloedverlies in het lichaam wordt tegengegaan. Bloedverlies treedt
op door beschadiging van de endotheellaag van de bloedomloop.
1. Vasculair spasme
De eerste reactie van het lichaam op deze schade is vasoconstrictie. Door het bloedvolume dat door
het beschadigde vat stroomt te verkleinen, wordt bloedverlies gedurende de eerste 20-30 minuten
sterk vermindert. Deze vasoconstrictie wordt geïnitieerd door beschadiging van de spiercellen in het
tunica media, chemische factoren (bv. neurotransmitters en thromboxane A2) afkomstig uit het
beschadigde weefsel (endotheel, neuronen) en trombocyten, en pijnreceptor-reflexen.
2. Trombocyt adhesie en aggregatie (primaire hemostase)
De volgende stap in de hemostase is de vorming van een plug om het bloedvat tijdelijk mee af te
sluiten. Dit vindt meestal binnen een minuut na beschadiging plaats. Dit proces bestaat uit de
adhesie van trombocyten aan het beschadigde weefsel en aggregatie van trombocyten aan elkaar.
• Adhesie: het glycoproteïne VI en de α2β1-receptor zijn integrines aanwezig op het celmembraan van
trombocyten, welke direct een binding aan kunnen gaan met het collageen zelf. Wanneer de
vaatwand beschadigd is, komt het sub-endothele collageen bloot te liggen. Hieraan binden von
Willebrand factoren (vWF). Aan deze factoren kunnen receptoren op het celmembraan van een
trombocyt binden, het zogenaamde glycoproteïne Ib-IX-V receptor complex. Deze binding maakt het
mogelijk voor trombocyten om aan collageen te binden bij hoge snelheden (arteriën).
• Aggregatie: door adhesie aan collageen wordt het trombocyt geactiveerd. Dit zorgt ervoor dat het
bindingen met vWF aan kan gaan via GPIb-IX-V receptoren. Dit zorgt voor verdere activatie van het
trombocyt, welke ook wordt versterkt door het vrijgekomen factor III (tissue factor). Ze scheiden
chemische factoren uit via hun alfa- en dense-granula, zoals PAF (platelet activating factor), ADP,
thromboxane A2 en serotonine uit, welke andere trombocyten aantrekken (positieve feedback) en
vasoconstrictie versterken. Ze zorgen voor een influx aan
calciumionen, waardoor de trombocyt een aantal
veranderingen ondervindt. Zo zwelt deze op en vormt het
filopodia op het oppervlak te vergroten. Het spreidt over
het beschadigde oppervlak als een spiegelei. Eenmaal
geactiveerd vindt het flip-flop mechanisme plaats,
waarbij het membraan van de trombocyt omkeert
(fosfatidyl serine nu op het buitenmembraan).
Stollingsfactoren zijn nu in staat om aan het membraan te
binden. Aan de binnenzijde gelegen glycoproteïne IIb-IIIa
receptoren komen nu ook aan de buitenzijde te liggen.
Hier binden ze aan fibrinogeen, waardoor de trombocyten
onderling verbonden raken.
3. Coagulatie (secundaire hemostase)
De bloedstolling is de vorming van een netwerk van fibrinevezels, welke bloedcellen vangen en de
beschadiging definitief dichten. Bij dit proces zijn stollingsfactoren (1-13), ook wel ‘pro-coagulants’
genoemd, betrokken. Deze circuleren inactief (als zymogenen) door de bloedsomloop of bevinden
zich in endotheelcellen of trombocyten. De meesten worden door de lever gesynthetiseerd.
Vitamine K is nodig bij de vorming van bepaalde stollingsfactoren (protrombine, VII, IX en X). Het
zorgt ervoor dat glutaminezuur wordt omgezet in carboxylglutaminezuur (GLA), waardoor Ca2+-ionen
het aan fosfatidyl serine kunnen binden. De bloedstolling kan plaatsvinden via een extrinsiek en een
intrinsiek proces, beide initiatie stappen, hierna volgt de amplificatie en propagatie.
, Blok 1.2: Circulatie en Ademhaling
• Extrinsiek (<1 min.): bij beschadiging
De extrinsieke bloedstolling begint met het vrijkomen van weefseltromboplastine (tissue factor
of stollingsfactor III). Dit activeert factor VII en vormt hiermee een complex. Dit complex
activeert, samen met calciumionen én tissue factor, factor X. Deze factor bindt m.b.v.
calciumionen direct aan de fosfolipiden van de trombocyten. Hieraan bindt factor V, waardoor
er nu een complex is ontstaan dat protrombinase heet. Vanaf dit punt duurt het slechts 10-15
seconden tot een bloedstolsel zich vormt. Factor V is in eerste instantie inactief aanwezig in het
complex. Dit complex zet protrombine (factor II) om in trombine. Pas wanneer factor X
zelfstandig protrombine heeft omgezet in trombine, activeert dit laatste factor V, wat
vervolgens de omzetting katalyseert. Er ontstaat dus een positieve feedback. Trombine zet
vervolgens fibrinogeen om in fibrine.