NEDERLANDSE
RELIGIEGESCHIEDENIS
SAMENVATTING
, Proloog
Er zijn veel onzekerheden waardoor men besluit de Nederlandse religiegeschiedenis te laten beginnen
in de ‘gewone’ geschiedenis, wanneer er schriftelijke bronnen voorhanden zijn. Voor Nederland is dat
in de Romeinse tijd. Het verhaal betreft het Nederlands grondgebied. De grenzen van ‘Nederland’ zijn
ontstaan als gevolg van militaire lotgevallen tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648). Tot 1648
maakte het Nederlandse grondgebied uit van het veel grotere Duitse Rijk. Toch bestond er al, sinds
1588, een Republiek waarvan de grenzen ongeveer samenvielen met het latere Koninkrijk der
Nederlanden. De gedachte van een in taalkundig en cultuur opzicht homogeen volk met één
geschiedenis is pas 250 jaar oud.
De continue factor in de Nederlandse religiegeschiedenis vormen de bewoners van het
grondgebied. Het zijn de mensen die binnen de geografische begrenzing religieuze zin hebben
gegeven aan hun denken en handelen. Historische opvattingen of voorstellingen van het
bovennatuurlijke of het ‘numineuze’ van God en goden, van sacrale domeinen, tijden, personen en
gemeenschappen vormen het uitgangspunt van een ‘religiegeschiedenis’. Religiegeschiedenis richt zich
op die verschijnselen van godsdienstige aard die kenmerkend zijn voor alle religies, hoewel zij niet in
alle religies een even belangrijke rol spelen. Het is een vorm van cultuurgeschiedenis in de breedste
zin van het woord. Drie grensjaren:
- 1000: de vestiging van één georganiseerde, dominante religie in de Lage Landen, namelijk het
christendom.
- 1580: de reformatiebeweging binnen het Europese christendom. Overheden verleenden daarbij
het monopolie op de openbare godsdienstuitoefening aan één van de vele stromingen binnen
de christenheid. Rond 1580 voltrok deze overgang zich over het huidige Nederland.
Handhaven van de gereformeerde kerk, terwijl de rooms-katholieke eredienst werd verboden.
- 1850: verwijst mede naar de invoering van de nieuwe grondwet in 1848 die officieel een einde
maakte aan de bevoorrechting van bepaalde religies in de publieke ruimte en daarmee diverse
emancipatieprocessen inluidde.
Hoofdstuk 6
RELIGIEGESCHIEDENIS
SAMENVATTING
, Proloog
Er zijn veel onzekerheden waardoor men besluit de Nederlandse religiegeschiedenis te laten beginnen
in de ‘gewone’ geschiedenis, wanneer er schriftelijke bronnen voorhanden zijn. Voor Nederland is dat
in de Romeinse tijd. Het verhaal betreft het Nederlands grondgebied. De grenzen van ‘Nederland’ zijn
ontstaan als gevolg van militaire lotgevallen tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648). Tot 1648
maakte het Nederlandse grondgebied uit van het veel grotere Duitse Rijk. Toch bestond er al, sinds
1588, een Republiek waarvan de grenzen ongeveer samenvielen met het latere Koninkrijk der
Nederlanden. De gedachte van een in taalkundig en cultuur opzicht homogeen volk met één
geschiedenis is pas 250 jaar oud.
De continue factor in de Nederlandse religiegeschiedenis vormen de bewoners van het
grondgebied. Het zijn de mensen die binnen de geografische begrenzing religieuze zin hebben
gegeven aan hun denken en handelen. Historische opvattingen of voorstellingen van het
bovennatuurlijke of het ‘numineuze’ van God en goden, van sacrale domeinen, tijden, personen en
gemeenschappen vormen het uitgangspunt van een ‘religiegeschiedenis’. Religiegeschiedenis richt zich
op die verschijnselen van godsdienstige aard die kenmerkend zijn voor alle religies, hoewel zij niet in
alle religies een even belangrijke rol spelen. Het is een vorm van cultuurgeschiedenis in de breedste
zin van het woord. Drie grensjaren:
- 1000: de vestiging van één georganiseerde, dominante religie in de Lage Landen, namelijk het
christendom.
- 1580: de reformatiebeweging binnen het Europese christendom. Overheden verleenden daarbij
het monopolie op de openbare godsdienstuitoefening aan één van de vele stromingen binnen
de christenheid. Rond 1580 voltrok deze overgang zich over het huidige Nederland.
Handhaven van de gereformeerde kerk, terwijl de rooms-katholieke eredienst werd verboden.
- 1850: verwijst mede naar de invoering van de nieuwe grondwet in 1848 die officieel een einde
maakte aan de bevoorrechting van bepaalde religies in de publieke ruimte en daarmee diverse
emancipatieprocessen inluidde.
Hoofdstuk 6