Biologie begrippenlijst SE1
Hoofdstuk 9, 10 + paragraaf 4.1, 4.2, 4.4.
Homologe chromosomen:De twee chromosomen die samen een paar vormen.
Karyogram: Chromosomenkaart
Autosomen: ‘Gewone’ chromosomen, ieder paar bestaat uit twee chromosomen die gelijk
zijn qua vorm en grootte.
Geslachtschromosomen: Het laatste chromosomenpaar, bepalen het geslacht.
Karyotype: Het aantal chromosomen van een individu, XX of XY en alle variaties op het
normale patroon. (46, XX)
Trisomie: Als er op een nummer geen twee maar drie chromosomen zitten. Als er drie op 21
zitten is dit syndroom van down.
Gen: Informatie voor een bepaalde eigenschap.
Genoom: Alle genen samen.
Aangeboren eigenschappen: Eigenschappen waarmee je geboren bent.
Allelen: Varianten van hetzelfde gen.
Emergente eigenschap: Een eigenschap die je niet kan zien in het DNA. Als goed
pianospelen.
Genotype: Allelen voor bepaalde eigenschappen bij elkaar.
Fenotype: Eigenschappen die door je milieu komen.
Tweelingonderzoek: Onderzoek om uit te zoeken wat de bijdrage is van genotype en milieu
aan het tot stand komen van eigenschappen.
Dominant allel: Overheersende allel dat altijd tot uiting komt. Hoofdletter.
Recessief allel: Allel wat alleen tot uiting komt als er geen dominant allel aanwezig is. Kleine
letter
Stamboom: Overzicht van de overerving van een eigenschap binnen een familie.
Homozygoot: Individu met twee gelijke allelen.
Heterozygoot: Individu met twee verschillende allelen, een dominante en een recessieve.
Recessieve allel komt niet tot uiting.
, Drager: Individu die heterozygoot is, is drager van de recessieve eigenschap.
Kruisingsschema: Alle gegevens van een kruising in een schema. Zo kan je zien wat de
genetische samenstelling van de nakomelingen kan worden.
Monohybride kruising: Kruising waarbij gelet wordt op de overerving van één eigenschap.
Onvolledige dominantie: Een dominant allel laat bij een heterozygoot individu ook het
recessieve allel enigszins tot uiting komen.
Intermediair: Twee ongelijke allelen komen beide tot uiting in het fenotype. Het zit er
tussenin.
Multipele allelen: Een gen waarvan meer dan twee allelen zijn.
Codominant: Twee allelen die beide dominant zijn over een ander allel.
Gekoppelde overerving: De allelen voor twee verschillende eigenschappen liggen samen op
één chromosoom. Ze erven samen over.
Dihybride kruising: Een kruising waarbij je let op de overerving van twee eigenschappen.
Onafhankelijke overerving: Genen op verschillende chromosomen. De overerving is niet
gekoppeld.
Afleidingsmethode: Methode waarbij je een dihibride kruising splitst in twee mono hybride
kruisingen om hem zo makkelijker uit te werken.
Polygene overerving: Meerdere genen bepalen samen één eigenschap.
Erfelijkheidsonderzoek: Onderzoek naar het voorkomen van erfelijke afwijkingen in genen.
DNA-onderzoek: Aan de hand van bloed kijken of de ouders een afwijkend allel in hun DNA
hebben.
Letale allelen: Allelen die de oorzaak zijn van het niet levensvatbaar zijn van een embryo
met tot gevolg vroegtijdige dood. Deze allelen kunnen zowel dominant als recessief zijn.
Genetische modificatie: Veranderen van het DNA van een organisme.
Gentherapie: Inbrengen van een goed werkend allel in bepaalde cellen, met als doel ziektes
genezen.
Embryoselectie: Na IVF plaatst de arts alleen gezonde embryo’s terug in de baarmoeder.
Fossielen: Resten of afdruk van uitgestorven organismen.
Gidsfossielen: Fossiel dat gebruikt kan worden om een gesteentelaag te dateren.
Hoofdstuk 9, 10 + paragraaf 4.1, 4.2, 4.4.
Homologe chromosomen:De twee chromosomen die samen een paar vormen.
Karyogram: Chromosomenkaart
Autosomen: ‘Gewone’ chromosomen, ieder paar bestaat uit twee chromosomen die gelijk
zijn qua vorm en grootte.
Geslachtschromosomen: Het laatste chromosomenpaar, bepalen het geslacht.
Karyotype: Het aantal chromosomen van een individu, XX of XY en alle variaties op het
normale patroon. (46, XX)
Trisomie: Als er op een nummer geen twee maar drie chromosomen zitten. Als er drie op 21
zitten is dit syndroom van down.
Gen: Informatie voor een bepaalde eigenschap.
Genoom: Alle genen samen.
Aangeboren eigenschappen: Eigenschappen waarmee je geboren bent.
Allelen: Varianten van hetzelfde gen.
Emergente eigenschap: Een eigenschap die je niet kan zien in het DNA. Als goed
pianospelen.
Genotype: Allelen voor bepaalde eigenschappen bij elkaar.
Fenotype: Eigenschappen die door je milieu komen.
Tweelingonderzoek: Onderzoek om uit te zoeken wat de bijdrage is van genotype en milieu
aan het tot stand komen van eigenschappen.
Dominant allel: Overheersende allel dat altijd tot uiting komt. Hoofdletter.
Recessief allel: Allel wat alleen tot uiting komt als er geen dominant allel aanwezig is. Kleine
letter
Stamboom: Overzicht van de overerving van een eigenschap binnen een familie.
Homozygoot: Individu met twee gelijke allelen.
Heterozygoot: Individu met twee verschillende allelen, een dominante en een recessieve.
Recessieve allel komt niet tot uiting.
, Drager: Individu die heterozygoot is, is drager van de recessieve eigenschap.
Kruisingsschema: Alle gegevens van een kruising in een schema. Zo kan je zien wat de
genetische samenstelling van de nakomelingen kan worden.
Monohybride kruising: Kruising waarbij gelet wordt op de overerving van één eigenschap.
Onvolledige dominantie: Een dominant allel laat bij een heterozygoot individu ook het
recessieve allel enigszins tot uiting komen.
Intermediair: Twee ongelijke allelen komen beide tot uiting in het fenotype. Het zit er
tussenin.
Multipele allelen: Een gen waarvan meer dan twee allelen zijn.
Codominant: Twee allelen die beide dominant zijn over een ander allel.
Gekoppelde overerving: De allelen voor twee verschillende eigenschappen liggen samen op
één chromosoom. Ze erven samen over.
Dihybride kruising: Een kruising waarbij je let op de overerving van twee eigenschappen.
Onafhankelijke overerving: Genen op verschillende chromosomen. De overerving is niet
gekoppeld.
Afleidingsmethode: Methode waarbij je een dihibride kruising splitst in twee mono hybride
kruisingen om hem zo makkelijker uit te werken.
Polygene overerving: Meerdere genen bepalen samen één eigenschap.
Erfelijkheidsonderzoek: Onderzoek naar het voorkomen van erfelijke afwijkingen in genen.
DNA-onderzoek: Aan de hand van bloed kijken of de ouders een afwijkend allel in hun DNA
hebben.
Letale allelen: Allelen die de oorzaak zijn van het niet levensvatbaar zijn van een embryo
met tot gevolg vroegtijdige dood. Deze allelen kunnen zowel dominant als recessief zijn.
Genetische modificatie: Veranderen van het DNA van een organisme.
Gentherapie: Inbrengen van een goed werkend allel in bepaalde cellen, met als doel ziektes
genezen.
Embryoselectie: Na IVF plaatst de arts alleen gezonde embryo’s terug in de baarmoeder.
Fossielen: Resten of afdruk van uitgestorven organismen.
Gidsfossielen: Fossiel dat gebruikt kan worden om een gesteentelaag te dateren.