Werkgroep opdracht 1 .................................................................................................................................... 2
Opdracht 1 .......................................................................................................................................................... 2
Opdracht 2 .......................................................................................................................................................... 3
Opdracht 3 .......................................................................................................................................................... 3
Werkgroep opdracht 2: Reliability .................................................................................................................. 4
Opdracht 1 .......................................................................................................................................................... 4
Opdracht 2 .......................................................................................................................................................... 5
Opdracht 3 .......................................................................................................................................................... 5
Opdracht 4 .......................................................................................................................................................... 5
Werkgroep opdracht 3: Validiteit .................................................................................................................... 6
Opdracht 1. ......................................................................................................................................................... 6
Opdracht 2 .......................................................................................................................................................... 7
Opdracht 3. ......................................................................................................................................................... 8
Werkgroep opdracht 4 .................................................................................................................................... 8
Opdracht 1 .......................................................................................................................................................... 8
Opdracht 2 .......................................................................................................................................................... 9
Opdracht 3 .......................................................................................................................................................... 9
Werkgroep opdracht 5 .................................................................................................................................. 11
Opdracht 1 ........................................................................................................................................................ 11
Opdracht 3 ........................................................................................................................................................ 12
Opdracht 2: ....................................................................................................................................................... 14
Werkgroep 6 Item response Theory .............................................................................................................. 14
Opdracht 1 ........................................................................................................................................................ 14
Opdracht 2 ........................................................................................................................................................ 15
2PL .................................................................................................................................................................... 15
Werkgroep opdracht 7 – Test Bias................................................................................................................. 15
Opdracht 1 ........................................................................................................................................................ 15
Opdracht 2 ........................................................................................................................................................ 16
Opdracht 3 ........................................................................................................................................................ 17
Werkgroep opdracht 8 .................................................................................................................................. 17
Opdracht 1 ........................................................................................................................................................ 17
Opdracht 2 ........................................................................................................................................................ 18
Opdracht 3 ........................................................................................................................................................ 18
,Werkgroep opdracht 1
Opdracht 1
A. Psychometrie is de verzameling van procedures die gebruikt worden om variabiliteit te meten
in menselijk gedrag en deze metingen vervolgens te combineren tot psychologische
fenomenen. “the science concerned with evaluating the attributes of psychological tests” of
“the study of the operations and procedures used to measure variability in behavior and to
connect those measurements to psychological phenomena.”
B. Hypothetische constructen zoals kortetermijngeheugen of depressie. Intelligentie meten door
de omtrek van iemand zijn hoofd te meten (antropometrie).
C. Psychologische test= Systematische procedure voor het vergelijken van het gedrag van twee
of meer mensen.
Een persoonlijkheidstest of een test voor het behalen van je rijbewijs. Een
persoonlijkheidstest. Het examen voor het behalen van je rijbewijs is meer een criterium
referenced test waar het belangrijk is dat je een bepaald niveau haalt/of skills hebt. Een
persoonlijkheidstest is norm referenced, en wordt er vooral gekeken naar hoe iemand scoort
in vergelijking met andere mensen.
D. Differentiële psychologie kijkt naar individuele verschillen tussen mensen, experimentele
psychologie richt zich op wetenschappelijk onderzoek en onderzoekt de relatie tussen
geestelijk functioneren en menselijk gedrag. O.a. op het gebied van aandacht en leren.
E. Measurement is het toewijzen van een cijfer aan kenmerken en objecten van individueel
gedrag volgens een bepaalde schaal.
Schaling is een manier om numerieke waarden toe te schrijven aan psychologische attributen,
‘Hoe een testscore of categorie wordt bepaald op basis van een item response.’.
F. We hebben normen nodig omdat anders testscores ons niks zeggen. D.m.v. normen kunnen
we scores vergelijken en betekenis geven. Een relatieve norm is gebaseerd op testscores van
een representatieve groep (referentie steekproef). Een absolute norm is een vastgestelde
standaard norm.
G. H + i (zie tabel)
Binaire scores Gestandaardiseerde
scores
Mean, is het gemiddelde ∑" ∑𝑥 𝑧̅=0
# 𝑥̅ = =𝑝
van een set scores. 𝑛
Sum of Squares, de som ∑(𝑥̅ − 𝑋)2 N*p*(1-p) , 𝑧$ = 𝑁
van de kwadraten.
Variantie, ook wel ∑#
% ( 𝑥̅ − 𝑥)
$ S2=p*(1-p) S2=1
variabiliteit van scores. Dit 𝑁
is het verschil binnen een
set testscores of tussen
waarden van een
psychologische eigenschap
van 1 enkele verdeling van
scores.
, Standard deviatie, dit S2= 0𝑝 ∗ (1 − 𝑝)
∑( 𝑥̅ − 𝑥)$
bereken je door de wortel / S=1
te trekken van de 𝑁
variantie.
Cross product, is het ,( 𝑥̅ − 𝑥)(𝑌 − 𝑦5)
kruisproduct van twee
variabelen. De formule
berekent de som hiervan.
Covariantie, de variantie ∑(𝑥̅ − 𝑥)(𝑌 − 𝑦5)
van het verschil binnen 2 𝑁
sets van scores. Bij
covariantie wordt gezocht
naar de relatie tussen
twee variabelen.
Pearson Product-moment 𝑐𝑜𝑣"&
correlation 𝑠" 𝑠&
Opdracht 2
A. De groepen kunnen elkaar op sommige punten wederzijds uitsluiten, bijvoorbeeld alleen seks
met doden of alleen seks met levenden. Echter op andere punten zijn de categorieën niet
volledig uitsluitend: IX daar gaat het om moord en in groep VI gaat het om een lichaam
molesteren. Maar in werkelijkheid wordt het lichaam misschien ook in groep IX gemolesteerd.
In groep V gaat het ook om molesteren (snijden), dus er is ook overlap tussen categorieën.
Of de groepen uitputtend zijn is lastig om te beoordelen, ik denk dat er verschillende soorten
‘variaties necrofielen’ te bedenken zijn die niet binnen dergelijke categorieën passen. Er zou
dus nog een categorie ‘anders’ kunnen worden gemaakt.
B. Ik denk dat er een aantal aanwijzingen zijn voor een ordinale schaal. De categorieën lijken
oplopend, voornamelijk op het gebied van strafbaarheid. Vooral tussen categorieën zijn er
soms duidelijke stappen te zien van kwaad tot erger, bijvoorbeeld III gaat over fantaseren en
in de categorie erna gaat het om aanraking. Ook als je categorie I tegenover categorie X zet, is
een groot verschil in niveau: van rollenspeler naar alleen seks hebben met dode mensen.
C. Nee want we weten niet of het om gelijke stappen gaat.
Opdracht 3
A. De range is 7. Ik denk dat het meetlevel ordinaal is, omdat hoe hoger je score betekend hoe
meer vragen je goed hebt.
B.
Ruwe scores Z-scores T-scores Percentiele ranks GRADE
1 -2.34 26.6 3.4 1.0
2 -1.83 31.7 9.1 1.0
3 -1.31 36.9 16.9 2.5
4 -0.79 42.1 29.4 4
5 -0.27 47.3 43.1 5.5
6 0.25 52.5 61.3 7
7 0.77 57.7 85.0 8.5
8 1.29 62.9 100.0 10
C. Dit zijn relatieve normscores, omdat scores worden vergeleken met relevante anderen.