Geschiedenis - Examenkatern
Historische context: Duitsland (1871-1945)
Deelcontext 1: Duitse keizerrijk (1871-1918)
Frans-Duitse oorlog = Oorlog tussen Frankrijk en een alliantie van Duitse staten
(1870-1871), met een grote overwinning voor Duitsland → Duitse keizerrijk (nationalisme).
↳ Eenwordingsproces onder leiding van het koninkrijk Pruisen → Pruisische koning
tot keizer gekroond: Wilhelm I en een pruisische politicus tot eerste rijkskanselier:
Otto von Bismarck. Wilhelms kroning was in het Paleis van Versailles → symbolisch
dat Duitsland de sterkste staat op het Europese vasteland was.
Door snelle industrialisatie was het nieuwe keizerrijk sterk (economisch) → mechanisering
van arbeid en verkeer, in vorm van stoommachines en stoomtreinen (19e eeuw in EU).
- Alliantiepolitiek = Accent op sluiten van bondgenootschappen om doelen te
bereiken → Bismarck: grootmachten in west en oost, dus een samenspanning tegen
het Duitse Rijk en dus ondergang voorkomen + militarisme.
Weltpolitik = Duitse buitenlandse politiek om de Duitse wereld positie te versterken.
↳ Door troonsbestijging keizer Wilhelm ll (1888) en ontslag van Bismarck (1890).
- Gericht op creatie van een onverzees rijk (economische groei).
Modern Imperialisme → grondstoffen voor industrie + afzetgebieden.
Rivaliteit tussen grote mogendheden was hoog opgelopen begin 20e eeuw:
- Veranderende machtsverhoudingen.
- Opkomst van nationalistische en militaristische ideeën.
- Totstandkoming van grote bondgenootschappen die elkaar vijandig gezind waren.
(Centralen (o.l.v. Duitsland) tegen de geallieerden (Fr / GB / R))
↳ Leidde tot WWl, een totale oorlog, waarbij burgers en soldaten betrokken waren in 1914.
In herfst 1918 leidden verliezen aan mensen en economische uitzichtloosheid tot onvrede
onder de Duitse bevolking → opstand & revolutie.
↳ Eind D. keizerrijk: 9 nov. 1918 (keizer vlucht & republiek)
↳ Wapenstilstand + eind WWl: 11 november 1918
Historische context: Duitsland (1871-1945)
Deelcontext 1: Duitse keizerrijk (1871-1918)
Frans-Duitse oorlog = Oorlog tussen Frankrijk en een alliantie van Duitse staten
(1870-1871), met een grote overwinning voor Duitsland → Duitse keizerrijk (nationalisme).
↳ Eenwordingsproces onder leiding van het koninkrijk Pruisen → Pruisische koning
tot keizer gekroond: Wilhelm I en een pruisische politicus tot eerste rijkskanselier:
Otto von Bismarck. Wilhelms kroning was in het Paleis van Versailles → symbolisch
dat Duitsland de sterkste staat op het Europese vasteland was.
Door snelle industrialisatie was het nieuwe keizerrijk sterk (economisch) → mechanisering
van arbeid en verkeer, in vorm van stoommachines en stoomtreinen (19e eeuw in EU).
- Alliantiepolitiek = Accent op sluiten van bondgenootschappen om doelen te
bereiken → Bismarck: grootmachten in west en oost, dus een samenspanning tegen
het Duitse Rijk en dus ondergang voorkomen + militarisme.
Weltpolitik = Duitse buitenlandse politiek om de Duitse wereld positie te versterken.
↳ Door troonsbestijging keizer Wilhelm ll (1888) en ontslag van Bismarck (1890).
- Gericht op creatie van een onverzees rijk (economische groei).
Modern Imperialisme → grondstoffen voor industrie + afzetgebieden.
Rivaliteit tussen grote mogendheden was hoog opgelopen begin 20e eeuw:
- Veranderende machtsverhoudingen.
- Opkomst van nationalistische en militaristische ideeën.
- Totstandkoming van grote bondgenootschappen die elkaar vijandig gezind waren.
(Centralen (o.l.v. Duitsland) tegen de geallieerden (Fr / GB / R))
↳ Leidde tot WWl, een totale oorlog, waarbij burgers en soldaten betrokken waren in 1914.
In herfst 1918 leidden verliezen aan mensen en economische uitzichtloosheid tot onvrede
onder de Duitse bevolking → opstand & revolutie.
↳ Eind D. keizerrijk: 9 nov. 1918 (keizer vlucht & republiek)
↳ Wapenstilstand + eind WWl: 11 november 1918