Spelling - Nederlands
Hoofdletters
- Namen van verenigingen, instellingen, bedrijven en diensten.
- Aardrijkskundige namen, merken, historische gebeurtenissen, straten,
hemellichamen, gebouwen, feestdagen en titels van boeken en films.
- Niet bij namen van soorten, historische periodes, afleidingen van feestdagen,
maanden, dagen, jaargetijden, windstreken, religies en afleidingen ervan.
Komma
- Tussen twee persoonsvormen.
- Voor en na een aanspreking of tussenwerpsel.
- Voor en na een bijstelling.
- Voor een voegwoord waarmee de bijzin begint.
Puntkomma
- Tussen zinnen die sterk met elkaar samenhangen.
- Tussen delen van opsommingen.
(Dubbele punt bij een opsomming, directe rede of een verklaring)
Aanhalingstekens
- Als je het woord zelf bedoelt en niet de betekenis.
- Niet bij gedachten.
- Let op de komma’s!
Meervoud op -s
- Schrijf om problemen te voorkomen -’s
- Bij afkortingen / ik houd van y’s
Meervoud op -en
- Onblekemtoonde -ik, -es of -et ⇾ geen dubbele medeklinker.
Verkleinwoorden
- Woorden die op een klinker eindigen krijgen een extra klinker erbij.
- Afkortingen krijgen een apostrof.
Samenstellingen
- Van twee of drie woorden.
- Getallen tot duizend en samenstellingen met honderd en duizend.
- Voornaamwoordelijke bijwoorden die bestaan uit er, hier, daar, waar + voorzetsel.
Tussen -e
- Het eerste deel heeft alleen meervoud op -s.
- Het eerste deel heeft 2 meervouden.
- Het eerste deel heeft geen meervoud.
- Het eerste deel verwijst naar een uniek exemplaar.
- Het eerste deel versterkt een bijvoegelijk naamwoord.
- Het woord wordt niet meer als samenstelling gezien.
Hoofdletters
- Namen van verenigingen, instellingen, bedrijven en diensten.
- Aardrijkskundige namen, merken, historische gebeurtenissen, straten,
hemellichamen, gebouwen, feestdagen en titels van boeken en films.
- Niet bij namen van soorten, historische periodes, afleidingen van feestdagen,
maanden, dagen, jaargetijden, windstreken, religies en afleidingen ervan.
Komma
- Tussen twee persoonsvormen.
- Voor en na een aanspreking of tussenwerpsel.
- Voor en na een bijstelling.
- Voor een voegwoord waarmee de bijzin begint.
Puntkomma
- Tussen zinnen die sterk met elkaar samenhangen.
- Tussen delen van opsommingen.
(Dubbele punt bij een opsomming, directe rede of een verklaring)
Aanhalingstekens
- Als je het woord zelf bedoelt en niet de betekenis.
- Niet bij gedachten.
- Let op de komma’s!
Meervoud op -s
- Schrijf om problemen te voorkomen -’s
- Bij afkortingen / ik houd van y’s
Meervoud op -en
- Onblekemtoonde -ik, -es of -et ⇾ geen dubbele medeklinker.
Verkleinwoorden
- Woorden die op een klinker eindigen krijgen een extra klinker erbij.
- Afkortingen krijgen een apostrof.
Samenstellingen
- Van twee of drie woorden.
- Getallen tot duizend en samenstellingen met honderd en duizend.
- Voornaamwoordelijke bijwoorden die bestaan uit er, hier, daar, waar + voorzetsel.
Tussen -e
- Het eerste deel heeft alleen meervoud op -s.
- Het eerste deel heeft 2 meervouden.
- Het eerste deel heeft geen meervoud.
- Het eerste deel verwijst naar een uniek exemplaar.
- Het eerste deel versterkt een bijvoegelijk naamwoord.
- Het woord wordt niet meer als samenstelling gezien.