Bevo - blz. 30 tot 43
Realisme (1840-1880):
- Reactie op het classicisme: de aandacht verschuift naar landschappen en het
dagelijkse, harde bestaan van gewone mensen. In het begin was er van sociale
betrokkenheid nog geen sprake.
- En plain air = Het in de open lucht schilderen door de uitvinding van de tube
waardoor verf meegenomen kon worden, 19e eeuw.
Haagse School (1860-1900):
- Schilders die streefde zowel interieur als landschap op een opvallen realistische
manier te weergeven. De techniek was echter impressionistisch: snel en
schetsmatig.
Impressionisme (1870-1905):
- Snelle, schetsmatige schildertechniek.
- Soms fotografische beeld-elementen als afsnijding in het schilderij.
- Concentreren op de vluchtige en veranderlijke effecten van licht en kleur.
Arts-and-crafstbeweging (ca. 1870-1900):
- Grondlegger W.Morris (Egneland, 1834-1896)
- Zette zich in voor hernieuwde aandacht voor kwaliteiten en vakmanschap uit de
middeleeuwen.
- Veel aandacht aan design en ontwierp meubels, stoffering, behang en
glas-in-loodramen.
Pointillisme (1884-1905):
- Werken met ongemengde kleuren.
- Techniek van kleine stipjes verf, dicht naast elkaar aangebracht (tijdrovend)
- Bedoeling → schilderijen moeten een zinderend licht uitstralen
- Seurat, Signac en Van Rijsselberghe
Postimpressionisme (1886-1905):
- Reactie op het impressionisme, maar geen eenduidige stijlkenmerken.
- Niet alleen verbeelden van indruk, maar soms zorgvuldig, religieus en gevoel.
- Symbolisme (Gauguin), Kubisme (Cézanne), Expressionisme (Van Gogh)
Fin de siècle (1885-1914):
- Periode in de Europese cultuurgeschiedenis (kunstenaars en gegoede burgerij).
- Feestelijke stemming door welvaart, angst voor het einde van de welvaart.
- Door angst fascinatie voor verval en dood.
- Parijs, Praag en Wenen
- Vermenging symbolisme, Jugenstil en expressionisme
, Symbolische (1880-1940):
- Frankrijk
- Reactie op het impressionisme die bloeide tijdens de Fin de siècle, rond 1900.
- Hecht waarde aan de inhoud van kunst.
- Schilderijen geven suggestieve zeggingskracht mee, vaak in samenhang met de
dood
- Vrouw wordt vaak afgebeeld als verleidelijk en erotisch
Jugendstil, art nouveau (1890-1910)
- Vooral een decoratieve stijl
- Reacties op imitaties van neostijlen
- Kenmerkend: dunne, vloeiende lijnen (zweepslagmotief) → geïnspireerd op planten
en bloemen
- Gericht op architectuur (meubel en interieur)
- + vormgeving van sieraden en grafiek
- Duur → vloeiende vormgeving die bewerkelijk is
- Interieur ontwerpen hadden een exclusieve stijl
- Kreeg brede maatschappelijke bekendheid door toepassing affiches en
metro-ingangen van Parijs
- Laatste totaalvormgeving: verschillende schilderkunst, kunstnijverheid en
architectuur gecombineerd.
- Symbolistische schilderijen hebben vaak vormkenmerken van Jugenstil
Expressionisme (1910-1920)
- geïnspireerd door Van Gogh & Gauguin
- Frankrijk het 1e schilderij door groep fauves
- sprekende en felle kleuren
- vereenvoudigen / gedeformeerd
- Duitsland → 1e abstracte schilderij
Kubisme (1905-1914)
- Pablo Picasso
- geometrische & hoekige vormen
- verschillende gezichtshoeken
- nooit helemaal abstract
★ Analytisch → Versnippering in kleine vlakjes
★ Synthetisch → Overzichtelijke composities
Futurisme (1909-1916)
- snelheid & dynamiek van het moderne nadrukken
- combinatie expressionisme, kubisme en pointilisme
Realisme (1840-1880):
- Reactie op het classicisme: de aandacht verschuift naar landschappen en het
dagelijkse, harde bestaan van gewone mensen. In het begin was er van sociale
betrokkenheid nog geen sprake.
- En plain air = Het in de open lucht schilderen door de uitvinding van de tube
waardoor verf meegenomen kon worden, 19e eeuw.
Haagse School (1860-1900):
- Schilders die streefde zowel interieur als landschap op een opvallen realistische
manier te weergeven. De techniek was echter impressionistisch: snel en
schetsmatig.
Impressionisme (1870-1905):
- Snelle, schetsmatige schildertechniek.
- Soms fotografische beeld-elementen als afsnijding in het schilderij.
- Concentreren op de vluchtige en veranderlijke effecten van licht en kleur.
Arts-and-crafstbeweging (ca. 1870-1900):
- Grondlegger W.Morris (Egneland, 1834-1896)
- Zette zich in voor hernieuwde aandacht voor kwaliteiten en vakmanschap uit de
middeleeuwen.
- Veel aandacht aan design en ontwierp meubels, stoffering, behang en
glas-in-loodramen.
Pointillisme (1884-1905):
- Werken met ongemengde kleuren.
- Techniek van kleine stipjes verf, dicht naast elkaar aangebracht (tijdrovend)
- Bedoeling → schilderijen moeten een zinderend licht uitstralen
- Seurat, Signac en Van Rijsselberghe
Postimpressionisme (1886-1905):
- Reactie op het impressionisme, maar geen eenduidige stijlkenmerken.
- Niet alleen verbeelden van indruk, maar soms zorgvuldig, religieus en gevoel.
- Symbolisme (Gauguin), Kubisme (Cézanne), Expressionisme (Van Gogh)
Fin de siècle (1885-1914):
- Periode in de Europese cultuurgeschiedenis (kunstenaars en gegoede burgerij).
- Feestelijke stemming door welvaart, angst voor het einde van de welvaart.
- Door angst fascinatie voor verval en dood.
- Parijs, Praag en Wenen
- Vermenging symbolisme, Jugenstil en expressionisme
, Symbolische (1880-1940):
- Frankrijk
- Reactie op het impressionisme die bloeide tijdens de Fin de siècle, rond 1900.
- Hecht waarde aan de inhoud van kunst.
- Schilderijen geven suggestieve zeggingskracht mee, vaak in samenhang met de
dood
- Vrouw wordt vaak afgebeeld als verleidelijk en erotisch
Jugendstil, art nouveau (1890-1910)
- Vooral een decoratieve stijl
- Reacties op imitaties van neostijlen
- Kenmerkend: dunne, vloeiende lijnen (zweepslagmotief) → geïnspireerd op planten
en bloemen
- Gericht op architectuur (meubel en interieur)
- + vormgeving van sieraden en grafiek
- Duur → vloeiende vormgeving die bewerkelijk is
- Interieur ontwerpen hadden een exclusieve stijl
- Kreeg brede maatschappelijke bekendheid door toepassing affiches en
metro-ingangen van Parijs
- Laatste totaalvormgeving: verschillende schilderkunst, kunstnijverheid en
architectuur gecombineerd.
- Symbolistische schilderijen hebben vaak vormkenmerken van Jugenstil
Expressionisme (1910-1920)
- geïnspireerd door Van Gogh & Gauguin
- Frankrijk het 1e schilderij door groep fauves
- sprekende en felle kleuren
- vereenvoudigen / gedeformeerd
- Duitsland → 1e abstracte schilderij
Kubisme (1905-1914)
- Pablo Picasso
- geometrische & hoekige vormen
- verschillende gezichtshoeken
- nooit helemaal abstract
★ Analytisch → Versnippering in kleine vlakjes
★ Synthetisch → Overzichtelijke composities
Futurisme (1909-1916)
- snelheid & dynamiek van het moderne nadrukken
- combinatie expressionisme, kubisme en pointilisme