Paragraaf 3.1 Fenotype en genotype
Genetica: erfelijkheidsleer
Fenotype: alle waarneembare eigenschappen van een individu. Het fenotype wordt bepaald door het
genotype en milieufactoren. Een verandering door milieufactoren noemen we een modificatie.
Genotype: de informatie voor alle erfelijke eigenschappen van een individu
Een aangeboren afwijking of aandoening is als de aandoening, afwijking of ziekte is ontstaan in het
milieu van de baarmoeder. Als deze echter genetisch is doorgegeven via de ouders, is het een
erfelijke ziekte of aandoening.
Chromosomen komen in paren voor. Als ze op grootte worden gerangschikt, heb je een karyogram.
Deze rangschikking in een cel heet het karyotype.
Autosomen: de chromosomenparen
Homologe chromosomen: twee dezelfde chromosomen
Geslachtschromosomen: bepalen het geslacht
Gen: een deel van een chromosoom dat informatie voor een of meerdere of een deel van een
erfelijke eigenschap bevat
Chromosomen
Een chromosoom bevat één lange molecuul van DNA en veel eiwitten. Het DNA-molecuul bestaat uit
twee ketens die in een dubbele spiraal zitten. Alle DNA-moleculen in een cel noem je het genoom
van een organisme.
Schimmels/dieren: DNA bevindt zich in de kern en de mitochondriën van een cel
Planten: DNA bevindt zich in de kern, de mitochondriën en de bladgroenkorrels
DNA is opgebouwd uit nucleotiden. Een nucleotide bestaat uit
een fosfaatgroep, desoxyribose (een soort suiker) en een
stikstofbase. De fosfaatgroep en desoxyribose zitten aan elkaar
vast en vormen als het ware de ruggengraat van het DNA-
molecuul. Er zijn 4 stikstofbasen die in een DNA-molecuul
voorkomen:
1. Adenine (A)
2. Thymine (T)
3. Cytosine (C)
4. Guanine (G)
Adenine en thymine kunnen samen een basenpaar vormen,
evenals cytosine en guanine. Zij zijn altijd verbonden in vaste
paren, dit heet basenparing. De basenparen zitten altijd vast
aan het desoxyribose.
Een gen bestaat uit honderden nucleotiden. De stikstofbasen
zijn op een specifieke volgorde (sequentie) gerangschikt: de DNA-sequentie. De volgorde kan
variëren; een variatie heet een allel. De erfelijke eigenschap blijft dan wel hetzelfde.
Genexpressie: aangezette genen die tot uiting komen
Inactivatie: genen die uit staan
, Paragraaf 3.2 Genenparen
Locus: de plaats van een gen in een chromosoom
Homologe chromosomen bevatten genen voor dezelfde genetische eigenschappen. Als een persoon
twee gelijke allelen heeft, is hij homozygoot. Zijn de twee allelen ongelijk, dan is de persoon
heterozygoot.
Dominant allel: het allel dat tot uiting komt bij een heterozygoot persoon.
Recessief allel: komt alleen tot uiting als er geen dominant allel aanwezig is.
Onvolledig dominant allel: als het recessieve allel toch een beetje tot uiting komt is het dominante
allel onvolledig dominant
Intermediair fenotype: beide allelen zijn niet recessief en dus krijg je een mengvorm van beide
allelen in het fenotype. Er is spraken van codominantie.
Een dominant allel wordt aangegeven met een hoofdletter (A), een recessief allel met een kleine
letter (a). Als twee allelen tot uiting komen in het fenotype, moet je dat aangeven:
ArAr of AwAw of ArAw
Recombinatie en mutatie
Door recombinatie (herverdeling) hebben nakomelingen een
andere combinatie van allelen dan de ouders. Recombinatie vindt
plaats door meiose en geslachtelijke voortplanting.
HERHALING THEMA 2: MEIOSE
Geslachtelijke voortplanting is de versmelting van twee cellen:
celfusie. Meiose (reductiedeling) bestaat uit 2 fasen:
Meiose I: een diploïde cel (2n) deelt zich in twee haploïde cellen (n)
Meiose II: de twee haploïde cellen delen zich tot vier haploïde
dochtercellen. Deze cellen kunne zich ontwikkelen tot gameten.
Gameten zijn geslachtscellen, en zijn altijd haploïd (n).
Tijdens meiose I vind recombinatie plaats. De chromosomen van een chromosomenpaar gaan uit
elkaar. Omdat de allelen in de twee chromosomen vaak verschillen, krijg je twee verschillende
dochtercellen. Als er b.v. drie chromosomen zijn (n = 3), dan kunnen er 23 = 8 verschillende
combinaties van chromosomen ontstaan. Na de bevruchting worden de allelen van de ouders
samengebracht. D.m.v. recombinatie ontstaan er dus bij de bevruchting nieuwe genenparen. Door
recombinatie is er een grote genetische variatie, waardoor een soort een grotere overlevingskans
heeft als milieuomstandigheden veranderen. Genetische variatie kan ook d.m.v. mutaties;
veranderingen in genetische eigenschappen.
Tweelingen
Eeneiige tweelingen ontstaan uit één zaadcel en één eicel. Door omstandigheden splitst de zygote
zich in tweeën. Een twee-eiige tweeling ontstaat uit twee zaadcellen en twee eicellen. Geen van de
cellen is hetzelfde.
Paragraaf 3.3 Monohybride kruisingen
Bij een monohybride kruising let je op de overerving van één eigenschap, waarbij één genenpaar
betrokken is. Bij kruisingen geef je de ouders aan met P, de eerste generatie nakomelingen met F1 en
de tweede generatie nakomelingen met F2. In een kruisingsschema zet je de eicellen bovenaan en
de zaadcellen links. Je kunt vervolgens het kruisingsschema invullen. Daarna kun je ook nog de
eerste generatie nakomelingen met elkaar kruisen. Voorbeeld: