W&K Hoorcollege 3 – Luchttemperatuur
Algemene leerdoel(en): De kandidaat kan verschillen in luchttemperatuur beschrijven, herkennen en
verklaren.
De vijf belangrijkste klimaatfactoren (insolatie (instraling), breedtegraad, soort oppervlakte, ligging t.o.v.
van zee en hoogteligging/reliëf) noemen en beschrijven.
1. Breedtegraad. Hoe hoger de breedte, hoe groter de variatie in seizoenen en luchttemperatuur door
het jaar heen. Dit wordt veroorzaakt door de bolvorm van de aarde waardoor de instraling verschilt.
Wordt ook versterkt door langere weg door atmosfeer en reflectie door sneeuw.
2. Soort oppervlakte. Veel vocht (vb. bos) = koeler, want veel energie kan weg door verdamping. Weinig
vocht (vb. steden) = heet, want weinig verdamping door weinig water en donkere materialen (asfalt,
steen) absorberen meer zonne-energie.
3. Ligging t.o.v. zee. Omdat water langzamer afkoelt en opwarmt dan land, hebben kustlocaties een
minder grote variatie in temperatuur gedurende het jaar dan inlandse locaties.
4. Hoogteligging. Temperatuur daalt met hoogte, doordat op grote hoogte minder lucht is waardoor
warmte van zon minder goed kan worden vastgehouden (broeikasgassen vormen minder effectieve
isolatiedeken) meer oppervlaktewarmte verloren in de ruimte.
5. Lucht/oceanische circulaties. Temperatuur kan snel veranderen doordat lucht uit een andere regio
wordt aangevoerd. Vb: temperatuur van kustlocaties door warme of koude golfstroom.
Het verschil uitleggen tussen het dagelijkse temperatuurverloop aan het grondoppervlak en op 1.20 m
hoogte.
Luchttemperatuur op 1,2m kan heel anders zijn dan de oppervlaktetemperatuur. Dit komt doordat het
oppervlak veel sneller opwarmt en afkoelt dan de lucht (denk aan geasfalteerde parkeerplaats; grond is
warmer dan lucht). Luchttemperatuur wordt standaard gemeten op een hoogte van 1,2 meter. Hier heb je
minder last van verschillen in dagelijkse temperatuurverloop door opwarming en afkoeling en kun je beter de
gemiddelde dagtemperatuur of maandtemperatuur bepalen. Zie figuur 3.6
1
Algemene leerdoel(en): De kandidaat kan verschillen in luchttemperatuur beschrijven, herkennen en
verklaren.
De vijf belangrijkste klimaatfactoren (insolatie (instraling), breedtegraad, soort oppervlakte, ligging t.o.v.
van zee en hoogteligging/reliëf) noemen en beschrijven.
1. Breedtegraad. Hoe hoger de breedte, hoe groter de variatie in seizoenen en luchttemperatuur door
het jaar heen. Dit wordt veroorzaakt door de bolvorm van de aarde waardoor de instraling verschilt.
Wordt ook versterkt door langere weg door atmosfeer en reflectie door sneeuw.
2. Soort oppervlakte. Veel vocht (vb. bos) = koeler, want veel energie kan weg door verdamping. Weinig
vocht (vb. steden) = heet, want weinig verdamping door weinig water en donkere materialen (asfalt,
steen) absorberen meer zonne-energie.
3. Ligging t.o.v. zee. Omdat water langzamer afkoelt en opwarmt dan land, hebben kustlocaties een
minder grote variatie in temperatuur gedurende het jaar dan inlandse locaties.
4. Hoogteligging. Temperatuur daalt met hoogte, doordat op grote hoogte minder lucht is waardoor
warmte van zon minder goed kan worden vastgehouden (broeikasgassen vormen minder effectieve
isolatiedeken) meer oppervlaktewarmte verloren in de ruimte.
5. Lucht/oceanische circulaties. Temperatuur kan snel veranderen doordat lucht uit een andere regio
wordt aangevoerd. Vb: temperatuur van kustlocaties door warme of koude golfstroom.
Het verschil uitleggen tussen het dagelijkse temperatuurverloop aan het grondoppervlak en op 1.20 m
hoogte.
Luchttemperatuur op 1,2m kan heel anders zijn dan de oppervlaktetemperatuur. Dit komt doordat het
oppervlak veel sneller opwarmt en afkoelt dan de lucht (denk aan geasfalteerde parkeerplaats; grond is
warmer dan lucht). Luchttemperatuur wordt standaard gemeten op een hoogte van 1,2 meter. Hier heb je
minder last van verschillen in dagelijkse temperatuurverloop door opwarming en afkoeling en kun je beter de
gemiddelde dagtemperatuur of maandtemperatuur bepalen. Zie figuur 3.6
1