Sociale filosofie
Inleiding
- Een bepaalde filosofie staat ook voor een verwerking van voorgaande filosofieen, voor een reactie
op ontwikkelingen in de wetenschap, voor een spiegel van de desbetreffende tijd en voor een poging
tot ingrijpen in de bestaande samenleving.
- Het hoofdthema van dit boek is macht en rede. Subthema's:
- Het mensbeeld: zaken besproken zoals de relatie tussen lichaam en geest, of de plaats van
de mens tussen cultuur en natuur.
- De praktijk: sociale filosofie gerelateerd aan de ethiek.
- De problematiek van de verwerving van kennis en de verantwoording daarvan: sociale
filosofie raakt hier aan de kennis- en wetenschapsfilosofie.
- Verschillen tussen tussen filosofie en wetenschap:
- De filosofie stelt zich universeel op, ze sluit geen enkel onderwerp uit, terwijl de
wetenschap zich op een specifiek vakgebied richt.
- Wetenschappen streven naar zekerheid omtrent de feiten, zodat ze empirisch
georienteerde methoden moeten hanteren. Het materiaal van de filosofie daarentegen
bestaat uit theorieen of in elk geval teksten en ligt het methodische aspect in de wijze
waarop deze theorieen en teksten worden behandeld.
- De volgende opvattingen doen zich voor:
- Filosofie is een overbodige, zinloze of zelfs gevaarlijke bezigheid. De filosofie is metafysica
en als zodanig verwerpelijk.
- De wetenschappen zijn voldoende in staat om de waarheid omtrent de feiten aan het licht
te brengen, maar de filosofie kan een bijdrage leveren aan de wetenschappelijke theorie-
vorming door aandacht te schenken aan het logische verband tussen verschillende
wetenschappelijke uitspraken. → De filosofie als dienstmaagd van de wetenschap.
- De wetenschappen leveren slechts een beperkt inzicht op. De filosofie moet dit inzicht in
een ruimer kader plaatsen.
- De filosofie is het enige vak dat de benaming wetenschap in de ware zin des woords
verdient. De filosofie onthult de echte werkelijkheid, het wezenlijke van de verschijnselen. →
De filosofie als enige bron van waren kennis.
Hoofdstuk 1 – Oudheid en Middeleeuwen: een hogere orde
In de Griekse filosofie wordt over het algemeen veel belang gehecht aan de ethiek, met name bij
Plato en Aristoteles is dit het geval. De staat, de politieke gemeenschap wordt van belang geacht
omdat daarin ‘het goede leven’, dat wil zeggen het ethisch juist handelen, zijn beslag moet krijgen.
- Rechtvaardigheid is voor hen het belangrijkste criterium in de staat.
- Ze maken geen scherp onderscheid tussen de samenleving/maatschappij enerzijds en de staat
anderzijds.
- Het spreekt vanzelf dat de samenleving haar ordening vindt in de polis, de staat.
- De ontologie, de leer van het zijn(de), dat wil zeggen van de algemene beginselen van de
werkelijkheid, vormt de basis voor hun filosofie.
- Volgens Plato ligt de hogere orde in de Ideeën verankerd, volgens Aristoteles in de natuurlijke
doeleinden.
- Belangrijkste verschil: Plato ontwerpt een theoretisch ideale staat, terwijl Aristoteles meer
empirisch wil bezien wat met betrekking tot de staat natuurlijk en goed is.
- Plato ontwikkelt een alternatief voor de bestaande samenleving, terwijl Aristoteles' visie globaal
overeenkomt met de toenmalige Griekse politieke werkelijkheid.
- Plato laat ons d.m.v. een ideaal contrastbeeld nadenken over de samenleving, terwijl Aristoteles
zich rechtstreeks richt op het onderbouwen en begrijpen van wat er bestaat.
,- Ook voor Cicero, Augustinus en Thomas van Aquino geldt als uitgangspunt dat de politiek ingebed
ligt in een hogere orde, en dat de maatstaven voor het menselijk handelen uit deze hogere orde
(natuur, God, of beide) afgeleid moeten worden.
Plato
Zijn belangrijkste werk op het gebied van de sociale filosofie heet “Politeia”
('De staat'). De centrale vraag is hier wat rechtvaardigheid inhoudt.
- Ethiek houdt voor Plato nauw verband met kennis. Als iemand begrijpt hoe de
werkelijkheid in
elkaar zit, dan is duidelijk wat goed is om te doen, en zal hij het goede ook
doen. Het morele kwaad
komt voort uit een gebrek aan inzicht.
- Hij maakt in zijn ontologie een onderscheid tussen twee werelden of
werkelijkheden: de wereld van
de zintuiglijk waarneembare dingen en die van de Ideeën. Van kennis kan alleen sprake zijn als we
ons richten op de Ideeën (vertaling ook wel 'vormen'). De zintuiglijk waarneembare dingen zijn
immers veranderlijk.
- De Idee is de echte werkelijkheid, het eeuwig blijvende, altijd en overal gelijke, ware zijn van iets.
Deze zijn transcendent, ze overstijgen de waarneembare wereld.
- In het zintuiglijk waarneembare ding is de Idee daarvan aanwezig. Het is dus mogelijk om vanuit het
zintuiglijk waarneembare naar de Ideeën op te stijgen, dat wil zeggen tot kennis te komen.
- Bij de zintuiglijk waarneembare dingen komt men steeds tot twijfelachtige, op zijn best
waarschijnlijke meningen. Een mening is een vermoeden, gelegen tussen weten en onwetendheid.
Ideeen kunnen daarentegen niet met de zintuigen worden waargenomen, maar slechts door het
denkvermogen, door de rede worden gekend.
- De hoogste Idee is volgens Plato de Idee van het Goede. Alle Ideeën hebben deel aan de Idee van
het Goede. Het Goede is tevens het licht dat het mogelijk maakt dat de mens tot kennis komt.
- Voorbeeld van de grot, pagina 21.
- Maatstaven en normen, op welk terrein dan ook, zijn geen zaak van willekeur en relativisme, op elk
moment aan te passen aan het belang van de betrokkene, maar zijn afgeleiden van de absolute
ordening van de Ideeën. Dit geldt ook voor rechtvaardigheid.
- Plato schetst een discussie waarin eerst besproken wordt hoe het individu rechtvaardig kan zijn.
Rechtvaardigheid houdt in: eerlijk zijn en ieder het zijne geven.
Verder lijkt rechtvaardigheid soms bepaald te worden door het eigenbelang van de sterksten.
- Rechtvaardigheid kan vereisen dat het algemene belang voorrang krijgt boven het eigenbelang.
- Immoraliteit heeft te maken met gebrek aan kennis van bestaande normen, en deze
ondeskundigheid zal leiden tot ineffectieve handelingen en tot conflicten, zowel met anderen als
innerlijk, waardoor men niet meer goed kan functioneren.
- Staten worden gevormd omdat mensen verschillen in aanleg en mogelijkheden. Door met
elkaar samen te werken, kunnen ze de behoeftebevrediging vergemakkelijken.
Als historische grondslag voor de staat geldt dus het beginsel van de arbeidsdeling. Deze vooruitgang
brengt echter met zich mee dat de grens van de elementaire behoeften wordt overschreden en dat
mensen zich overgeven aan een onbeperkt streven naar bezit en luxe. Er moeten dan 'wachters'
(leger en politie) komen om de staat te beschermen.
- De ideale staat kent drie standen: werkers, wachters en regeerders.
- Wachters moeten zowel dapper als zachtmoedig zijn, en er is daardoor zowel lichamelijke als
geestelijke vorming nodig. Hun opleiding bestaat uit een juiste combinatie van lichaamsoefening en
muzische kunst (muziek en (streng gecensureerde) literatuur). Ze leven in commune-verband, ze
hebben geen eigen bezit of geld, wonen in eenvoudige huizen en gebruiken hun maaltijden
gemeenschappelijk en op staatskosten. Voor hen bestaat geen gezinsleven.
, - Regeerders worden gekozen uit de beste wachters. Ze krijgen een nog veel langere opleiding,
waarin theoretische en praktische ervaring opgedaan moet worden. Pas als ze 50 zijn en de lessen
goed doorlopen (en overleefd) hebben worden ze tot de hoogste positie toegelaten. Naast
bovengenoemde facetten bestaat deze opleiding vooral uit rekenen, wiskunde, sterrenkunde en
natuurlijk filosofie.
- Bovenstaande twee worden onderhouden door de derde stand: de boeren, ambachtslieden en
handelaren. Hier zijn prive-eigendommen en gezinsleven wel toegestaan.
Deze drie moeten duidelijk gescheiden blijven. Hoofdregel in de ideale staat is de enkelvoudigheid:
het beginsel dat ieder mens maar een vak moet beoefenen.
- In de ideale staat dienen de vier belangrijkste deugden vertegenwoordigd te zijn: wijsheid,
dapperheid, zelfbeheersing en rechtvaardigheid. Wijsheid moet de deugd van de leiders zijn,
dapperheid die van de wachters, en zelfbeheersing die van alle drie de standen.
Op deze basis is de harmonie van de standen mogelijk, en dat is de rechtvaardigheid.
Rechtvaardigheid is dus een overkoepelende deugd, die aan de samenleving als geheel toekomt.
- Plato's ideale staat kan zowel een aristocratie als een sofocratie genoemd worden, heerschappij van
de meest geschikten of van de wijzen.
- Dualistische opvatting over de verhouding tussen ziel en lichaam: twee wezenlijk verschillende
zaken, die ook in hun samenkomst apart van elkaar blijven.
- Naar analogie van de drie standen in de samenleving onderscheidt hij in de individuele psyche drie
delen of vermogens.
- Laagste: begeerte, het streven naar de vervulling van allerlei behoeftes, zoals eten.
- Vervolgens: het energieke deel, dat agressie naar buiten kan vertonen, maar ook naar binnen,
door de begeerte te onderdrukken.
- Doordat deze twee vermogens in conflict met elkaar kunnen komen, is het noodzakelijk dat de
psyche geleid wordt door het redelijke deel, of kortweg de rede.
- Het individu is dus op dezelfde manier rechtvaardig als de staat, namelijk wanneer de rede, de
energie en de begeerte elk hun eigen functie verrichten.
- Onrechtvaardig is de mens wanneer het lagere in opstand komt tegen de natuurlijke autoriteit van
het hogere. Zie voor dit en bovenstaande nog figuur 3 op blz 25!
- De ideale staat kan gerealiseerd worden, een verandering kan deze tot werkelijkheid maken,
namelijk als de politieke macht met de filosofie in eenzelfde persoon samenvalt.
- Plato beschouwt de timocratie (heerschappij van de vrees) als eerste vervalvorm van de staat. De
timocratische mens leeft in een voortdurende vrees of hij zichzelf wel kan handhaven: de coöperatie
van de aristocratie is vervangen door de competitie.
- De tweede trap van verwording is de sociaal-economische pendant van de timocratie: de oligarchie,
het bewind van de rijken. Men heeft meer respect voor rijkdom dan voor deugd.
- De democratie ontstaat als de armen (het volk) in opstand komen tegen de rijken en de macht in
handen nemen. Deze samenleving wordt gekenmerkt door vrijheid en gelijkheid. De vrijheid om te
doen wat je leuk lijkt in plaats van waar je het meest geschikt voor bent, wat volgens Plato volkomen
onhoudbaar is.
- De tirannie is het tegenbeeld van een door filosofen geregeerde staat. De tiran treedt aanvankelijk
op als beschermer van het volk, maar later blijkt dat hij zijn macht alleen kan handhaven door steeds
oorlog te voeren.
→ Figuur 4 op blz 27!
Aristoteles
- Ook Aristoteles doordenkt de samenleving vanuit een ontologie de tegelijk
een ethische strekking
heeft.
- De Ideeënwereld betekent volgens hem een nutteloze en onmogelijke
verdubbeling van de werkelijkheid. Aristoteles gaat ervan uit dat Plato met de
Inleiding
- Een bepaalde filosofie staat ook voor een verwerking van voorgaande filosofieen, voor een reactie
op ontwikkelingen in de wetenschap, voor een spiegel van de desbetreffende tijd en voor een poging
tot ingrijpen in de bestaande samenleving.
- Het hoofdthema van dit boek is macht en rede. Subthema's:
- Het mensbeeld: zaken besproken zoals de relatie tussen lichaam en geest, of de plaats van
de mens tussen cultuur en natuur.
- De praktijk: sociale filosofie gerelateerd aan de ethiek.
- De problematiek van de verwerving van kennis en de verantwoording daarvan: sociale
filosofie raakt hier aan de kennis- en wetenschapsfilosofie.
- Verschillen tussen tussen filosofie en wetenschap:
- De filosofie stelt zich universeel op, ze sluit geen enkel onderwerp uit, terwijl de
wetenschap zich op een specifiek vakgebied richt.
- Wetenschappen streven naar zekerheid omtrent de feiten, zodat ze empirisch
georienteerde methoden moeten hanteren. Het materiaal van de filosofie daarentegen
bestaat uit theorieen of in elk geval teksten en ligt het methodische aspect in de wijze
waarop deze theorieen en teksten worden behandeld.
- De volgende opvattingen doen zich voor:
- Filosofie is een overbodige, zinloze of zelfs gevaarlijke bezigheid. De filosofie is metafysica
en als zodanig verwerpelijk.
- De wetenschappen zijn voldoende in staat om de waarheid omtrent de feiten aan het licht
te brengen, maar de filosofie kan een bijdrage leveren aan de wetenschappelijke theorie-
vorming door aandacht te schenken aan het logische verband tussen verschillende
wetenschappelijke uitspraken. → De filosofie als dienstmaagd van de wetenschap.
- De wetenschappen leveren slechts een beperkt inzicht op. De filosofie moet dit inzicht in
een ruimer kader plaatsen.
- De filosofie is het enige vak dat de benaming wetenschap in de ware zin des woords
verdient. De filosofie onthult de echte werkelijkheid, het wezenlijke van de verschijnselen. →
De filosofie als enige bron van waren kennis.
Hoofdstuk 1 – Oudheid en Middeleeuwen: een hogere orde
In de Griekse filosofie wordt over het algemeen veel belang gehecht aan de ethiek, met name bij
Plato en Aristoteles is dit het geval. De staat, de politieke gemeenschap wordt van belang geacht
omdat daarin ‘het goede leven’, dat wil zeggen het ethisch juist handelen, zijn beslag moet krijgen.
- Rechtvaardigheid is voor hen het belangrijkste criterium in de staat.
- Ze maken geen scherp onderscheid tussen de samenleving/maatschappij enerzijds en de staat
anderzijds.
- Het spreekt vanzelf dat de samenleving haar ordening vindt in de polis, de staat.
- De ontologie, de leer van het zijn(de), dat wil zeggen van de algemene beginselen van de
werkelijkheid, vormt de basis voor hun filosofie.
- Volgens Plato ligt de hogere orde in de Ideeën verankerd, volgens Aristoteles in de natuurlijke
doeleinden.
- Belangrijkste verschil: Plato ontwerpt een theoretisch ideale staat, terwijl Aristoteles meer
empirisch wil bezien wat met betrekking tot de staat natuurlijk en goed is.
- Plato ontwikkelt een alternatief voor de bestaande samenleving, terwijl Aristoteles' visie globaal
overeenkomt met de toenmalige Griekse politieke werkelijkheid.
- Plato laat ons d.m.v. een ideaal contrastbeeld nadenken over de samenleving, terwijl Aristoteles
zich rechtstreeks richt op het onderbouwen en begrijpen van wat er bestaat.
,- Ook voor Cicero, Augustinus en Thomas van Aquino geldt als uitgangspunt dat de politiek ingebed
ligt in een hogere orde, en dat de maatstaven voor het menselijk handelen uit deze hogere orde
(natuur, God, of beide) afgeleid moeten worden.
Plato
Zijn belangrijkste werk op het gebied van de sociale filosofie heet “Politeia”
('De staat'). De centrale vraag is hier wat rechtvaardigheid inhoudt.
- Ethiek houdt voor Plato nauw verband met kennis. Als iemand begrijpt hoe de
werkelijkheid in
elkaar zit, dan is duidelijk wat goed is om te doen, en zal hij het goede ook
doen. Het morele kwaad
komt voort uit een gebrek aan inzicht.
- Hij maakt in zijn ontologie een onderscheid tussen twee werelden of
werkelijkheden: de wereld van
de zintuiglijk waarneembare dingen en die van de Ideeën. Van kennis kan alleen sprake zijn als we
ons richten op de Ideeën (vertaling ook wel 'vormen'). De zintuiglijk waarneembare dingen zijn
immers veranderlijk.
- De Idee is de echte werkelijkheid, het eeuwig blijvende, altijd en overal gelijke, ware zijn van iets.
Deze zijn transcendent, ze overstijgen de waarneembare wereld.
- In het zintuiglijk waarneembare ding is de Idee daarvan aanwezig. Het is dus mogelijk om vanuit het
zintuiglijk waarneembare naar de Ideeën op te stijgen, dat wil zeggen tot kennis te komen.
- Bij de zintuiglijk waarneembare dingen komt men steeds tot twijfelachtige, op zijn best
waarschijnlijke meningen. Een mening is een vermoeden, gelegen tussen weten en onwetendheid.
Ideeen kunnen daarentegen niet met de zintuigen worden waargenomen, maar slechts door het
denkvermogen, door de rede worden gekend.
- De hoogste Idee is volgens Plato de Idee van het Goede. Alle Ideeën hebben deel aan de Idee van
het Goede. Het Goede is tevens het licht dat het mogelijk maakt dat de mens tot kennis komt.
- Voorbeeld van de grot, pagina 21.
- Maatstaven en normen, op welk terrein dan ook, zijn geen zaak van willekeur en relativisme, op elk
moment aan te passen aan het belang van de betrokkene, maar zijn afgeleiden van de absolute
ordening van de Ideeën. Dit geldt ook voor rechtvaardigheid.
- Plato schetst een discussie waarin eerst besproken wordt hoe het individu rechtvaardig kan zijn.
Rechtvaardigheid houdt in: eerlijk zijn en ieder het zijne geven.
Verder lijkt rechtvaardigheid soms bepaald te worden door het eigenbelang van de sterksten.
- Rechtvaardigheid kan vereisen dat het algemene belang voorrang krijgt boven het eigenbelang.
- Immoraliteit heeft te maken met gebrek aan kennis van bestaande normen, en deze
ondeskundigheid zal leiden tot ineffectieve handelingen en tot conflicten, zowel met anderen als
innerlijk, waardoor men niet meer goed kan functioneren.
- Staten worden gevormd omdat mensen verschillen in aanleg en mogelijkheden. Door met
elkaar samen te werken, kunnen ze de behoeftebevrediging vergemakkelijken.
Als historische grondslag voor de staat geldt dus het beginsel van de arbeidsdeling. Deze vooruitgang
brengt echter met zich mee dat de grens van de elementaire behoeften wordt overschreden en dat
mensen zich overgeven aan een onbeperkt streven naar bezit en luxe. Er moeten dan 'wachters'
(leger en politie) komen om de staat te beschermen.
- De ideale staat kent drie standen: werkers, wachters en regeerders.
- Wachters moeten zowel dapper als zachtmoedig zijn, en er is daardoor zowel lichamelijke als
geestelijke vorming nodig. Hun opleiding bestaat uit een juiste combinatie van lichaamsoefening en
muzische kunst (muziek en (streng gecensureerde) literatuur). Ze leven in commune-verband, ze
hebben geen eigen bezit of geld, wonen in eenvoudige huizen en gebruiken hun maaltijden
gemeenschappelijk en op staatskosten. Voor hen bestaat geen gezinsleven.
, - Regeerders worden gekozen uit de beste wachters. Ze krijgen een nog veel langere opleiding,
waarin theoretische en praktische ervaring opgedaan moet worden. Pas als ze 50 zijn en de lessen
goed doorlopen (en overleefd) hebben worden ze tot de hoogste positie toegelaten. Naast
bovengenoemde facetten bestaat deze opleiding vooral uit rekenen, wiskunde, sterrenkunde en
natuurlijk filosofie.
- Bovenstaande twee worden onderhouden door de derde stand: de boeren, ambachtslieden en
handelaren. Hier zijn prive-eigendommen en gezinsleven wel toegestaan.
Deze drie moeten duidelijk gescheiden blijven. Hoofdregel in de ideale staat is de enkelvoudigheid:
het beginsel dat ieder mens maar een vak moet beoefenen.
- In de ideale staat dienen de vier belangrijkste deugden vertegenwoordigd te zijn: wijsheid,
dapperheid, zelfbeheersing en rechtvaardigheid. Wijsheid moet de deugd van de leiders zijn,
dapperheid die van de wachters, en zelfbeheersing die van alle drie de standen.
Op deze basis is de harmonie van de standen mogelijk, en dat is de rechtvaardigheid.
Rechtvaardigheid is dus een overkoepelende deugd, die aan de samenleving als geheel toekomt.
- Plato's ideale staat kan zowel een aristocratie als een sofocratie genoemd worden, heerschappij van
de meest geschikten of van de wijzen.
- Dualistische opvatting over de verhouding tussen ziel en lichaam: twee wezenlijk verschillende
zaken, die ook in hun samenkomst apart van elkaar blijven.
- Naar analogie van de drie standen in de samenleving onderscheidt hij in de individuele psyche drie
delen of vermogens.
- Laagste: begeerte, het streven naar de vervulling van allerlei behoeftes, zoals eten.
- Vervolgens: het energieke deel, dat agressie naar buiten kan vertonen, maar ook naar binnen,
door de begeerte te onderdrukken.
- Doordat deze twee vermogens in conflict met elkaar kunnen komen, is het noodzakelijk dat de
psyche geleid wordt door het redelijke deel, of kortweg de rede.
- Het individu is dus op dezelfde manier rechtvaardig als de staat, namelijk wanneer de rede, de
energie en de begeerte elk hun eigen functie verrichten.
- Onrechtvaardig is de mens wanneer het lagere in opstand komt tegen de natuurlijke autoriteit van
het hogere. Zie voor dit en bovenstaande nog figuur 3 op blz 25!
- De ideale staat kan gerealiseerd worden, een verandering kan deze tot werkelijkheid maken,
namelijk als de politieke macht met de filosofie in eenzelfde persoon samenvalt.
- Plato beschouwt de timocratie (heerschappij van de vrees) als eerste vervalvorm van de staat. De
timocratische mens leeft in een voortdurende vrees of hij zichzelf wel kan handhaven: de coöperatie
van de aristocratie is vervangen door de competitie.
- De tweede trap van verwording is de sociaal-economische pendant van de timocratie: de oligarchie,
het bewind van de rijken. Men heeft meer respect voor rijkdom dan voor deugd.
- De democratie ontstaat als de armen (het volk) in opstand komen tegen de rijken en de macht in
handen nemen. Deze samenleving wordt gekenmerkt door vrijheid en gelijkheid. De vrijheid om te
doen wat je leuk lijkt in plaats van waar je het meest geschikt voor bent, wat volgens Plato volkomen
onhoudbaar is.
- De tirannie is het tegenbeeld van een door filosofen geregeerde staat. De tiran treedt aanvankelijk
op als beschermer van het volk, maar later blijkt dat hij zijn macht alleen kan handhaven door steeds
oorlog te voeren.
→ Figuur 4 op blz 27!
Aristoteles
- Ook Aristoteles doordenkt de samenleving vanuit een ontologie de tegelijk
een ethische strekking
heeft.
- De Ideeënwereld betekent volgens hem een nutteloze en onmogelijke
verdubbeling van de werkelijkheid. Aristoteles gaat ervan uit dat Plato met de