SAMENVATTING MARKT: VRAAG EN AANBOD
Paragraaf 1.1
Een markt is het geheel van vraag en aanbod van een product. De vraag is de hoeveelheid producten
die de klanten wil kopen. Het aanbod is de hoeveelheid producten die de verkopers wil verkopen.
De concrete markt is de markt met een zichtbare en vaste ontmoetingsplaats. Een abstracte markt
heeft geen concrete ontmoetingsplaats waar vragers en aanbieders elkaar ontmoeten.
De betalingsbereidheid is het maximale bedrag dat een koper wil betalen voor een product. Het
aantal verkochte producten is de afzet. Als je dit vermenigvuldigt met de prijs krijg je de omzet. Met
een individuele vraaglijn wordt de betalingsbereidheid van een individuele consument weergegeven
(loopt van linksboven naar rechtsonder).
Op de verticale as komt de prijs van het product (p), op de horizontale as hoeveel een consument van
het product wil kopen bij verschillende prijzen (q).
Met een collectieve vraaglijn wordt de betalingsbereidheid van een groep consumenten bij
verschillende prijzen weergegeven.
Qv = ap + b
Qv = vraag van een product
P = prijs van een product
(a is kleiner dan 0)
Zie vraagfunctie in grafiek tekenen, bladzijde 14
Paragraaf 1.2
Er zijn vier vraagfactoren die de collectieve vraag bepalen:
Het inkomen van consumenten
De prijs van andere goederen zoals subsitutiegoederen en complementaire goederen.
Substitutiegoederen zijn producten die andere producten kunnen vervangen.
Complementaire goederen zijn producten die elkaar aanvullen.
De voorkeuren van consumenten.
Het aantal consumenten.
De verandering van de prijs van een product leidt tot een verschuiving op of langs de vraaglijn.
Hierbij worden de andere vraagfactoren buiten beschouwing gelaten, ceteris paribus. Als een van de
andere vraagfactoren verandert, verschuift de hele vraagcurve naar links of naar rechts. De overige
vraagfactoren worden weergegeven door de constante in de formule.
Paragraaf 1.3
In welke mate een prijsverandering zorgt voor een verandering in de vraag, kun je uitrekenen met de
prijselasticiteit van de vraag.
, Prijselasticiteit van de vraag = verandering van de vraag (%) / verandering van de prijs (%)
Als de vraag inelastisch is, reageert de vraag zwak of niet op de verandering van de prijs. De
vraagcurve loopt dan steil. Als de vraag elastisch is, reageert de vraag sterk op de verandering van de
prijs. De vraagcurve loopt dan horizontaler.
Of de vraag wel of niet sterk reageert op een verandering van de prijs is afhankelijk van:
Het bestaan van substituten (goederen die andere producten vervangen). Als er substituten
zijn stappen vragers sneller over.
Het soort goed. Als het goed noodzakelijk is voor de consument stapt hij niet snel over,
welke dan inelastisch is. Bij luxe goederen is de vraag elastischer.
De termijn die je in beschouwing neemt. Op lange termijn kan je makkelijker een alternatief
bedenken, op korte termijn is dat moeilijker.
Het effect dat een prijsverandering heeft op de omzet heet de prijselasticiteit van de omzet. Als de
prijs van een goed waarvan de vraag prijselastisch is verhoogd, zal de omzet dalen. Als de
hoeveelheid sterker daalt dan de prijs stijgt, dan zal de omzet dalen.
Als we de invloed van de prijs van een goed op de vraag naar een ander goed willen uitdrukken, dan
noemen we dat de kruislingse prijselasticiteit van de vraag.
Kruislingse prijselasticiteit van de vraag = verandering van de vraag van goed A (%) / verandering
van de prijs van goed B (%)
Paragraaf 1.4
Ook het inkomen heeft invloed op de vraag. Dit kun je meten met behulp van elasticiteit.
Inkomenselasticiteit van de vraag = verandering van de vraag (%) / verandering van het inkomen (%)
Als het inkomen stijgt, daalt de vraag naar inferieure goederen. Volgens de Engelkromme nemen de
uitgaven procentueel af als het inkomen stijgt.
Het verband tussen inkomen en de uitgaven hangt af van het goed:
Noodzakelijke goederen: als er geen inkomen is, zijn er toch uitgaven.
Luxe goederen: de uitgaven hierin starten pas als iemand genoeg inkomen heeft voor de
noodzakelijke uitgaven. Dit is het drempelinkomen.
Inferieure goederen: als het inkomen stijgt, dalen de uitgaven aan deze goederen.
Paragraaf 1.1
Een markt is het geheel van vraag en aanbod van een product. De vraag is de hoeveelheid producten
die de klanten wil kopen. Het aanbod is de hoeveelheid producten die de verkopers wil verkopen.
De concrete markt is de markt met een zichtbare en vaste ontmoetingsplaats. Een abstracte markt
heeft geen concrete ontmoetingsplaats waar vragers en aanbieders elkaar ontmoeten.
De betalingsbereidheid is het maximale bedrag dat een koper wil betalen voor een product. Het
aantal verkochte producten is de afzet. Als je dit vermenigvuldigt met de prijs krijg je de omzet. Met
een individuele vraaglijn wordt de betalingsbereidheid van een individuele consument weergegeven
(loopt van linksboven naar rechtsonder).
Op de verticale as komt de prijs van het product (p), op de horizontale as hoeveel een consument van
het product wil kopen bij verschillende prijzen (q).
Met een collectieve vraaglijn wordt de betalingsbereidheid van een groep consumenten bij
verschillende prijzen weergegeven.
Qv = ap + b
Qv = vraag van een product
P = prijs van een product
(a is kleiner dan 0)
Zie vraagfunctie in grafiek tekenen, bladzijde 14
Paragraaf 1.2
Er zijn vier vraagfactoren die de collectieve vraag bepalen:
Het inkomen van consumenten
De prijs van andere goederen zoals subsitutiegoederen en complementaire goederen.
Substitutiegoederen zijn producten die andere producten kunnen vervangen.
Complementaire goederen zijn producten die elkaar aanvullen.
De voorkeuren van consumenten.
Het aantal consumenten.
De verandering van de prijs van een product leidt tot een verschuiving op of langs de vraaglijn.
Hierbij worden de andere vraagfactoren buiten beschouwing gelaten, ceteris paribus. Als een van de
andere vraagfactoren verandert, verschuift de hele vraagcurve naar links of naar rechts. De overige
vraagfactoren worden weergegeven door de constante in de formule.
Paragraaf 1.3
In welke mate een prijsverandering zorgt voor een verandering in de vraag, kun je uitrekenen met de
prijselasticiteit van de vraag.
, Prijselasticiteit van de vraag = verandering van de vraag (%) / verandering van de prijs (%)
Als de vraag inelastisch is, reageert de vraag zwak of niet op de verandering van de prijs. De
vraagcurve loopt dan steil. Als de vraag elastisch is, reageert de vraag sterk op de verandering van de
prijs. De vraagcurve loopt dan horizontaler.
Of de vraag wel of niet sterk reageert op een verandering van de prijs is afhankelijk van:
Het bestaan van substituten (goederen die andere producten vervangen). Als er substituten
zijn stappen vragers sneller over.
Het soort goed. Als het goed noodzakelijk is voor de consument stapt hij niet snel over,
welke dan inelastisch is. Bij luxe goederen is de vraag elastischer.
De termijn die je in beschouwing neemt. Op lange termijn kan je makkelijker een alternatief
bedenken, op korte termijn is dat moeilijker.
Het effect dat een prijsverandering heeft op de omzet heet de prijselasticiteit van de omzet. Als de
prijs van een goed waarvan de vraag prijselastisch is verhoogd, zal de omzet dalen. Als de
hoeveelheid sterker daalt dan de prijs stijgt, dan zal de omzet dalen.
Als we de invloed van de prijs van een goed op de vraag naar een ander goed willen uitdrukken, dan
noemen we dat de kruislingse prijselasticiteit van de vraag.
Kruislingse prijselasticiteit van de vraag = verandering van de vraag van goed A (%) / verandering
van de prijs van goed B (%)
Paragraaf 1.4
Ook het inkomen heeft invloed op de vraag. Dit kun je meten met behulp van elasticiteit.
Inkomenselasticiteit van de vraag = verandering van de vraag (%) / verandering van het inkomen (%)
Als het inkomen stijgt, daalt de vraag naar inferieure goederen. Volgens de Engelkromme nemen de
uitgaven procentueel af als het inkomen stijgt.
Het verband tussen inkomen en de uitgaven hangt af van het goed:
Noodzakelijke goederen: als er geen inkomen is, zijn er toch uitgaven.
Luxe goederen: de uitgaven hierin starten pas als iemand genoeg inkomen heeft voor de
noodzakelijke uitgaven. Dit is het drempelinkomen.
Inferieure goederen: als het inkomen stijgt, dalen de uitgaven aan deze goederen.