Onderzoek in de gezondheidszorg
Bakker en Van Buren
Hoofdstuk 8 Diagnostische meetinstrumenten
8.1 Diagnostiek en screening
Doel diagnostische meetinstrumenten = vaststellen of iemand wel of niet een bepaalde
ziekte of aandoening heeft. (antwoord ziekte of aandoening WEL of NIET aanwezig).
Diagnostisch onderzoek bestaat meestal uit een anamnese en een lichamelijk onderzoek.
Eventueel wordt er nog laboratoriumonderzoek of ander aanvullende onderzoek gedaan.
Diagnostische test wordt gebruikt om in een klinische praktijk verder beleid bij een bepaalde
patiënt te bepalen.
(Klinische) diagnostiek = het onderzoek richt zich op het opsporen van klinische
verschijnselen van mensen die al ziek zijn. Vaak zijn er klachten of symptomen aanwezig.
Screening / vroegdiagnostiek = diagnostisch onderzoek wordt gebruik om risicofactoren of
voorstadia van een ziekte of aandoening op te sporen.
Testuitslagen:
- Positieve testuitslag = de ziekte/aandoening of het voorstadium is aanwezig.
- Negatieve testuitslag = de ziekte/aandoening of het voorstadium is NIET aanwezig.
De betrouwbaarheid en validiteit van diagnostische meetinstrumenten is hetzelfde als voor
andere meetinstrumenten (zie hoofdstuk 6). Echter spelen bij validiteit de begrippen
sensitiviteit en specificiteit ook een rol.
8.2 Sensitiviteit
De grens tussen ziek en niet ziek is niet altijd evengoed zichtbaar. Hierbij kunnen mogelijke
fouten ontstaan in de beslissing van niet ziek en ziek. Hierbij zijn vier mogelijkheden:
- Terecht-positieve testuitslag = een ziek persoon krijgt een positieve testuitslag
- Fout-positieve testuitslag = een gezond persoon krijgt een positieve testuitslag
- Terecht-negatieve testuitslag = een gezond persoon krijgt een negatieve testuitslag
- Fout-negatieve testuitslag = een ziek persoon krijgt een negatieve testuitslag
Ziek persoon Niet ziek persoon
Test positief Terecht-positieve testuitslag Fout-positieve testuitslag
Test negatief Fout-negatieve testuitslag Terecht-negatieve
testuitslag
Sensitiviteit van een test geeft aan welk percentage van de zieken terecht een positieve
testuitslag krijgt.
Sensitiviteit = zegt iets over de gevoeligheid van het meetinstrument om de ziekte of
afwijking op te sporen.
Vaak is er niet een duidelijk criterium op basis waarvan beslist wordt of iemand ziek of niet-
ziek is. Er wordt dan een afkappunt gekozen. Het afkappunt bepaalt waar de grens tussen
ziek en niet-ziek ligt. Ieder persoon met een hogere waarde dan het afkappunt is ‘ziek’ en
een persoon met een lagere waarde dan het afkappunt is ‘niet-ziek’.
Met een test doe je een voorspelling over het al dan niet aanwezig zijn van een bepaalde
ziekte of aandoening. De kwaliteit van deze voorspelling wordt weergegeven als de
voorspelende waarde van de test.
Bakker en Van Buren
Hoofdstuk 8 Diagnostische meetinstrumenten
8.1 Diagnostiek en screening
Doel diagnostische meetinstrumenten = vaststellen of iemand wel of niet een bepaalde
ziekte of aandoening heeft. (antwoord ziekte of aandoening WEL of NIET aanwezig).
Diagnostisch onderzoek bestaat meestal uit een anamnese en een lichamelijk onderzoek.
Eventueel wordt er nog laboratoriumonderzoek of ander aanvullende onderzoek gedaan.
Diagnostische test wordt gebruikt om in een klinische praktijk verder beleid bij een bepaalde
patiënt te bepalen.
(Klinische) diagnostiek = het onderzoek richt zich op het opsporen van klinische
verschijnselen van mensen die al ziek zijn. Vaak zijn er klachten of symptomen aanwezig.
Screening / vroegdiagnostiek = diagnostisch onderzoek wordt gebruik om risicofactoren of
voorstadia van een ziekte of aandoening op te sporen.
Testuitslagen:
- Positieve testuitslag = de ziekte/aandoening of het voorstadium is aanwezig.
- Negatieve testuitslag = de ziekte/aandoening of het voorstadium is NIET aanwezig.
De betrouwbaarheid en validiteit van diagnostische meetinstrumenten is hetzelfde als voor
andere meetinstrumenten (zie hoofdstuk 6). Echter spelen bij validiteit de begrippen
sensitiviteit en specificiteit ook een rol.
8.2 Sensitiviteit
De grens tussen ziek en niet ziek is niet altijd evengoed zichtbaar. Hierbij kunnen mogelijke
fouten ontstaan in de beslissing van niet ziek en ziek. Hierbij zijn vier mogelijkheden:
- Terecht-positieve testuitslag = een ziek persoon krijgt een positieve testuitslag
- Fout-positieve testuitslag = een gezond persoon krijgt een positieve testuitslag
- Terecht-negatieve testuitslag = een gezond persoon krijgt een negatieve testuitslag
- Fout-negatieve testuitslag = een ziek persoon krijgt een negatieve testuitslag
Ziek persoon Niet ziek persoon
Test positief Terecht-positieve testuitslag Fout-positieve testuitslag
Test negatief Fout-negatieve testuitslag Terecht-negatieve
testuitslag
Sensitiviteit van een test geeft aan welk percentage van de zieken terecht een positieve
testuitslag krijgt.
Sensitiviteit = zegt iets over de gevoeligheid van het meetinstrument om de ziekte of
afwijking op te sporen.
Vaak is er niet een duidelijk criterium op basis waarvan beslist wordt of iemand ziek of niet-
ziek is. Er wordt dan een afkappunt gekozen. Het afkappunt bepaalt waar de grens tussen
ziek en niet-ziek ligt. Ieder persoon met een hogere waarde dan het afkappunt is ‘ziek’ en
een persoon met een lagere waarde dan het afkappunt is ‘niet-ziek’.
Met een test doe je een voorspelling over het al dan niet aanwezig zijn van een bepaalde
ziekte of aandoening. De kwaliteit van deze voorspelling wordt weergegeven als de
voorspelende waarde van de test.