B2c-marketing (business-to-consumer-marketing): Bedrijven die zich richten op de
consument.
Kenmerken B2c-marketing:
- De markt is groot, hoge aankoopfrequentie.
- Het koopproces is relatief kort, met uitzondering op duurzame consumptiegoederen.
- Emotionele behoeften spelen een belangrijke rol bij het kopen van producten of
diensten.
- De klant is op zoek naar de beste prijs en is bereid om verschillende producten en
diensten te vergelijken.
B2b-marketing (business-to-business-marketing): Marketing die zich richt op partijen die
waarde toevoegen aan een product of dienst.
Kenmerken B2b-marketing:
- Doelmarkten zijn kleiner en de orderwaarde is doorgaans hoger.
- Afnemers zijn vaak professionele inkopers die technisch goed onderlegd zijn.
- Aankoop is gebaseerd op rationele overwegingen.
- Inkooptrajecten duren langer, er zijn meer mensen bij betrokken.
- De koop wordt meestal contractueel vastgelegd.
- Betalingen gaan meestal met facturen en leveranciers moeten rekening houden met
betalingstermijnen.
- Bij aankoop spelen zaken als levertijden, inkoopvoordelen, zekerheid van levering in
de toekomst, service en onderhoud een belangrijke rol.
- Zakelijke klanten oriënteren en informeren zich veelal via vakbeurzen en
tentoonstellingen, vakbladen, seminars en internet.
- Prijzen op basis van inkoopvolumes. Prijzen zijn meer gevoelig voor
onderhandelingen. De prijs is geen vast gegeven.
- Producten voor de zakelijke markt zijn vaak technischer en er wordt meer maatwerk
geleverd.
- Bedrijven zijn meestal sterk afhankelijk van de gekozen leverancier. De kosten van
het wisselen van leverancier zijn bij bedrijven hoog.
C2b-marketing (consumer-to-business-marketing): Consumenten die waarde creëren en
bedrijven die die waarde consumeren. Meestal is hierbij sprake van affiliate marketing.
C2c-marketing (consumer-to-consumer-marketing): Hierbij is sprake van consumenten die
iets aan elkaar verkopen. Dat kan een dienst of een goed zijn, een veelvoorkomend
voorbeeld hiervan is tweedehands spullen (ver)kopen.
Hoofdstuk 2
, In een marketingplan komen de volgende dingen aan bod:
- Onderzoek naar de bedrijfsomgeving. (Kenmerken interne en externe omgeving)
- Strategie ontwikkeling. (Met behulp van SWOT-analyse)
- Actieplan. (Met behulp van marketingmix)
SWOT: Strengths, Weaknesses, Opportunities en Threats.
Externe omgeving: De volledige markt. (Macro & Meso)
Interne omgeving: De onderneming zelf. (Micro)
Meso: de bedrijfstak/de directe omgeving van een bedrijf.
Macro: De organisatie kan er zelf geen invloed op uitoefenen (de krachten die de markt
beïnvloeden).
Micro: Waar de onderneming zelf iets aan kan doen.
Het vijfkrachtenmodel van Porter:
Substituten: Een product dat zo op een ander product lijkt, dat je het andere product met dit
product zou kunnen vervangen.
Vragen die de macht van leveranciers duidelijk maken:
- Zijn er veel of weinig leveranciers op de markt?
- Zijn er substituten?
- Wat is het belang van de bedrijfstak voor de leveranciers?
- Zijn er hoge kosten verbonden aan het overstappen naar andere leveranciers?
- Is het mogelijk om het product zelf te produceren?
Vragen die de macht van afnemers duidelijk maken:
- Hoe groot is de totale marktomzet die per afnemer wordt afgenomen?
- Welk belang heeft de afnemer bij het kopen van het product?
- Zijn er hoge kosten verbonden aan het overstappen naar een andere leverancier?
- In welke mate is het product gestandaardiseerd?
- Kan de afnemer het product zelf produceren?
- In hoeverre is de afnemer goed geïnformeerd over prijzen en de kwaliteit van het
product?
Vragen die gesteld kunnen worden om te kijken of substituten de vraag naar
producten veranderen.