2. Agenda
2.1 Prendre rendez-vous -- een afspraak maken
Convenir* -- schikken, aanstaan, bevallen
Un coup de téléphone* -- een telefoongesprek
Disponible* -- beschikbaar
Prendre rendez-vous* -- een afspraak maken
2.2 Changer de rendez-vous —de afspraak wijzigen
Un empêchement* -- een verhindering
Être en déplacement* -- op reis zijn
Le lendemain* -- de volgende dag
Noter* -- noteren, opschrijven
Occupé* -- bezet
2.3 Organiser son temps de travail —organisatie van de werktijd
En général* -- over het algemeen
Supplémentaire* -- aanvullend, extra
2.4 Communiquer son emploi du temps -werkzaamheden doorgeven
Un destinataire* -- een geadresseerde
Un emploi du temps* -- een rooster (van werkzaamheden)
Un expéditeur* -- een afzender
La gestion* -- het beheer, beleid
S’inscrire* -- zich inschrijven
Obligatoire* -- verplicht
Un renseignement* -- een inlichting
6. Entreprises
6.1 Découvrir l’entreprise -- de onderneming ontdekken
Une action* -- een aandeel
Un bénéfice* -- een voordeel, voorrecht, winst
Une chiffre d’affaires* -- een omzet
Coûter* -- kosten
Employer* -- gebruiken, in dienst hebben
Une marque* -- een merk
Un produit* -- een product
6.2 Comparer des performances -prestaties vergelijken
6.3 Réussir dans les affaires - succesvol zijn in zaken
Le coût de production* -- de kosten van de productie
Un délai* -- een uitstel
En échange de* -- in ruil voor
Encourager* -- aanmoedigen
Un placement* -- een belegging
Remplacer* -- vervangen
2.1 Prendre rendez-vous -- een afspraak maken
Convenir* -- schikken, aanstaan, bevallen
Un coup de téléphone* -- een telefoongesprek
Disponible* -- beschikbaar
Prendre rendez-vous* -- een afspraak maken
2.2 Changer de rendez-vous —de afspraak wijzigen
Un empêchement* -- een verhindering
Être en déplacement* -- op reis zijn
Le lendemain* -- de volgende dag
Noter* -- noteren, opschrijven
Occupé* -- bezet
2.3 Organiser son temps de travail —organisatie van de werktijd
En général* -- over het algemeen
Supplémentaire* -- aanvullend, extra
2.4 Communiquer son emploi du temps -werkzaamheden doorgeven
Un destinataire* -- een geadresseerde
Un emploi du temps* -- een rooster (van werkzaamheden)
Un expéditeur* -- een afzender
La gestion* -- het beheer, beleid
S’inscrire* -- zich inschrijven
Obligatoire* -- verplicht
Un renseignement* -- een inlichting
6. Entreprises
6.1 Découvrir l’entreprise -- de onderneming ontdekken
Une action* -- een aandeel
Un bénéfice* -- een voordeel, voorrecht, winst
Une chiffre d’affaires* -- een omzet
Coûter* -- kosten
Employer* -- gebruiken, in dienst hebben
Une marque* -- een merk
Un produit* -- een product
6.2 Comparer des performances -prestaties vergelijken
6.3 Réussir dans les affaires - succesvol zijn in zaken
Le coût de production* -- de kosten van de productie
Un délai* -- een uitstel
En échange de* -- in ruil voor
Encourager* -- aanmoedigen
Un placement* -- een belegging
Remplacer* -- vervangen