Samenvattingen
Profiel van de Nederlandse overheid
Hoofdstuk 2 – Enkele begrippen
In dit hoofdstuk staan een aantal begrippen centraal. We hebben gekeken naar de geschiedenis van
bestuur, en naar begrippen als ‘staat’ en ‘machtenscheiding’. We zijn nader ingegaan op de moderne
Nederlandse staat, zoals deze zich sinds 1848 heeft voorgedaan. Hierbij zagen we dat de rol van de
overheid zich voortdurend ontwikkelt. De staatvorm is de gedecentraliseerde eenheidsstaat, die
bestaat uit een eenheid (de overheid) en twee daaronder vallende bestuurslagen (provincies en
gemeenten) die eigen taken en verantwoordelijkheden hebben. Verder hebben we de begrippen
‘algemeen belang’ en ‘beleid’ verkend. Het algemeen belang is een voortdurende competitie tussen
deelbelangen. Bij het begrip ‘beleid’ hebben we naar twee betekenissen gekeken en gekozen voor de
invalshoek beleid-als-plan.
Belangrijke begrippen:
- Horizontale machtenscheiding betekend dat de drie machten gelijkwaardige machten zijn
waarbij geen hiërarchie is.
- Een staat is afgebakend grondgebied, waarin een soevereine organisatie gezag uitoefent
over de bevolking.
- Codificatie is het eenmalig opstellen van wetten in een schrift door de overheid.
- Modificatie is het continu maken van wetten, waardoor de overheid kan sturen.
- Deconcentratie is het zich fysiek over een land verspreiden van delen van de overheid.
- Het belangrijkste verschil tussen decentralisatie en deconcentratie is dat er bij
deconcentratie geen overdracht van taken en bevoegdheden plaatsheeft.
Hoofdstuk 8 – De centrale overheid
In dit hoofdstuk staat de centrale of rijksoverheid centraal. We hebben de verschillende organisaties
die hieronder vallen besproken. Veel van de voorbereidende en uitvoerende werkzaamheden van
het beleid worden gedaan door de departementen of ministeries: de ambtelijke organisaties binnen
de rijksoverheid. Elk departement wordt geleid door een minister. Een minister is politiek
verantwoordelijk voor alles wat er op zijn of haar departement gebeurt. De ministers vormen samen
met de koning de regering. De regering is weer samen met de Staten-Generaal (Eerste en Tweede
kamer) verantwoordelijk voor het opstellen van wetten. De Tweede kamer mag ook zelf een
wetsvoorstel indienen (recht van iniatief) en voorstellen doen voor het wijzigen van wetten (recht
van amendement). Naast deze wetgevende taak heeft de Staten-Generaal ook een belangrijke
controlerende taak. Zij moet namelijk de regering, de bestuurder van ons land, controleren. Hiervoor
heeft de Staten-Generaal een viertal instrumenten beschikbaar: het vragenrecht, het recht van
interpellatie, het enquête en het budgetrecht.
Naast de al genoemde organisaties zijn er enkele andere organisaties de grote invloed uitoefenen op
de rijksoverheid. Dit zijn de zogeheten Hoge Colleges van Staat. Zo adviseert de Raad van State
bijvoorbeeld over nieuwe wetgeving. De uitgaven en ontvangsten van de rijksoverheid worden
gecontroleerd door de Algemene Rekenkamer. Ten slotte kun je bij de Nationale ombudsman terecht
als je geen mogelijkheid hebt om bij een overheid in beroep te gaan. Het hoogste rechtscollege is de
Hoge Raad, die in laatste instantie beslist bij juridische procedures en die, waar de wetgever
Profiel van de Nederlandse overheid
Hoofdstuk 2 – Enkele begrippen
In dit hoofdstuk staan een aantal begrippen centraal. We hebben gekeken naar de geschiedenis van
bestuur, en naar begrippen als ‘staat’ en ‘machtenscheiding’. We zijn nader ingegaan op de moderne
Nederlandse staat, zoals deze zich sinds 1848 heeft voorgedaan. Hierbij zagen we dat de rol van de
overheid zich voortdurend ontwikkelt. De staatvorm is de gedecentraliseerde eenheidsstaat, die
bestaat uit een eenheid (de overheid) en twee daaronder vallende bestuurslagen (provincies en
gemeenten) die eigen taken en verantwoordelijkheden hebben. Verder hebben we de begrippen
‘algemeen belang’ en ‘beleid’ verkend. Het algemeen belang is een voortdurende competitie tussen
deelbelangen. Bij het begrip ‘beleid’ hebben we naar twee betekenissen gekeken en gekozen voor de
invalshoek beleid-als-plan.
Belangrijke begrippen:
- Horizontale machtenscheiding betekend dat de drie machten gelijkwaardige machten zijn
waarbij geen hiërarchie is.
- Een staat is afgebakend grondgebied, waarin een soevereine organisatie gezag uitoefent
over de bevolking.
- Codificatie is het eenmalig opstellen van wetten in een schrift door de overheid.
- Modificatie is het continu maken van wetten, waardoor de overheid kan sturen.
- Deconcentratie is het zich fysiek over een land verspreiden van delen van de overheid.
- Het belangrijkste verschil tussen decentralisatie en deconcentratie is dat er bij
deconcentratie geen overdracht van taken en bevoegdheden plaatsheeft.
Hoofdstuk 8 – De centrale overheid
In dit hoofdstuk staat de centrale of rijksoverheid centraal. We hebben de verschillende organisaties
die hieronder vallen besproken. Veel van de voorbereidende en uitvoerende werkzaamheden van
het beleid worden gedaan door de departementen of ministeries: de ambtelijke organisaties binnen
de rijksoverheid. Elk departement wordt geleid door een minister. Een minister is politiek
verantwoordelijk voor alles wat er op zijn of haar departement gebeurt. De ministers vormen samen
met de koning de regering. De regering is weer samen met de Staten-Generaal (Eerste en Tweede
kamer) verantwoordelijk voor het opstellen van wetten. De Tweede kamer mag ook zelf een
wetsvoorstel indienen (recht van iniatief) en voorstellen doen voor het wijzigen van wetten (recht
van amendement). Naast deze wetgevende taak heeft de Staten-Generaal ook een belangrijke
controlerende taak. Zij moet namelijk de regering, de bestuurder van ons land, controleren. Hiervoor
heeft de Staten-Generaal een viertal instrumenten beschikbaar: het vragenrecht, het recht van
interpellatie, het enquête en het budgetrecht.
Naast de al genoemde organisaties zijn er enkele andere organisaties de grote invloed uitoefenen op
de rijksoverheid. Dit zijn de zogeheten Hoge Colleges van Staat. Zo adviseert de Raad van State
bijvoorbeeld over nieuwe wetgeving. De uitgaven en ontvangsten van de rijksoverheid worden
gecontroleerd door de Algemene Rekenkamer. Ten slotte kun je bij de Nationale ombudsman terecht
als je geen mogelijkheid hebt om bij een overheid in beroep te gaan. Het hoogste rechtscollege is de
Hoge Raad, die in laatste instantie beslist bij juridische procedures en die, waar de wetgever