2e Ba BMW
Zelfstudie opdracht: RNA processing
Leermiddelen
Tekst handboek
Slides
Video-animatie
Doelstellingen
De student kan het proces van mRNA splicing, capping en polyadenylatie beschrijven.
De student kan de functie van de verschillende proteine en enzymes betrokken mRNA
splicing, capping en polyadenylatie omschrijven.
De student kan de bijbehorende moleculair genetische terminologie verklaren en gebruiken.
Algemene opdrachten
Geef de definitie van RNA processing.
Beschrijf het proces van mRNA splicing.
Leg uit: alternatieve splicing en self-splicing.
Leg het proces van capping uit, en verklaar de functie van de 5’ cap.
Beschrijf de functie van de poly-A staart en leg uit hoe deze gevormd wordt.
Sommige mRNA transcripten ondergaan RNA processing of modificatie vóór translatie. In eukaryoten
zorgt transcriptie meestal voor een langer pre-mRNA, dat dan mRNA wordt dmv splicing. Na deze
modificaties zal het mRNA de nucleus verlaten en het cytosol binnengaan waar translatie plaatsvindt.
Een RNA molecule bestaat uit intronen en exonen. Intronen zijn niet-coderende stukken RNA die
moeten verwijderd worden vóór translatie dmv splicing. Dit wordt gemedieerd door het spliceosoom,
dat bestaat uit verschillende RNA complexen: snRNP’s (small nuclear RNA & proteins). Hierbij zullen de
intronen uit het RNA worden geknipt. Intronen komen voor in vele eukaryote genen: minder bij
eencelligen, meer bij complexere organismen, bij zoogdieren in bijna alle genen. Bv. Dystrofine gen bij
mens: 79 exonen, 78 intronen. Intronen komen uitzonderlijk voor bij prokaryoten.
2 complexen zullen zich dicht bij de GU sequentie hechten. Bijkomende subeenheden binden hier ook en
vormen een lus. Hierna zullen 3 andere proteïne complexen binden. Dit complex ondergaat een
conformationele wijziging en vormt het spliceosoom.
Het intron wordt gekliefd aan de 5’ kant (GU seq), de splice donor en vormt dan ‘loop’, door de gekliefde
kant vast te hechten aan het branch punt. Er verdwijnen 2 subunits. De 3’ kant wordt gekliefd (AG seq),
splice acceptor. De exonen worden dan aan elkaar gemaakt. Het gespliced RNA wordt losgemaakt van
het spliceosoom, GU komt los van A, en wordt het intron gedegradeerd.
Splicing kan gereguleerd worden:
Alternatieve splicing: 1 gen kan coderen voor meerdere polypeptiden met versch AZ sequenties, door op
andere manieren te splicen. Self-splicing gebeurt soms wanneer er introns zitten in tRNA en rRNA. Er
wordt geen spliceosoom gebruikt. Zo’n RNA dat enzymatische activiteit vertoont = een ribozyme.
Matuur mRNA bevat een 7-Methylguanosine cap aan 5’ uiteinde. Deze wordt gesynthetiseerd tijdens de
1
ZSO 3: RNA
processing