Taal- en Tekststructuren: Lectuurbundel
Bijdrage 1: “De verwerving van het Nederlands: een blauwdruk” (A. Schaerlaekens)
1. Welke periodes en fasen pleegt men te onderscheiden in het proces van
moedertaalverwerving (MTV, of “kindertaalverwerving”) tussen 0 en 9 jaar?
Prelinguale periode (0j-1j)
Fase 1: huilen/schreien (Geboorte - 6 weken)
- luisteren naar stemmen (vooral van de moeder)
- geboortekreet + luid en zacht huilen
Fase 2: vocaliseren (6 weken – 4 maanden)
- luisteren selectief (spraakgeluiden)
- communicatie via oogcontact, mimiek, gebaren, aanrakingen, reuk en smaak
Fase 3: vocaal spel (4 – 7 maanden)
- vegetatieve geluidjes (slikken, boeren, kwijlen, hikken)
- protoconversatie: vocale communicatie + aanraken en aankijken
- fonologie komt passief op gang
Fase 4: brabbelen (8 – 14 maanden)
- repetitief brabbelen: hetzelfde groepje w herhaald
- gevorderd brabbelen
- zins en betekenis niveau vorderend
- 1e woordjes meestal in combinatie met lichaamsgebaar
- kind kan talig communiceren
Vroeglinguale periode (1j-2,5j)
- Woorden samengevoegd tot telegramstijlachtige (is taalgebruik dat uitzonderlijk bondig is)
zinnetjes.
-Stap wordt gezet van brabbelen naar betekenisvol taalgebruik
-Actief woordenschat en syntaxis (primitieve zinnetjes)
Éénwoordsfase (1-1,6j)
Twee en meerwoordsfase (1,6 – 2,6j)
à zie volgende vraag
, Differentiatiefase (2,5j – 5j)
- lezen en schrijven
- fonologie wordt afgewerkt
- gebruik van werkwoordstijden
- kinderen hanteren eerder ruimte dan tijdstipbegrippen
- woordenschat groei
- vraagzinnen met vraagwoorden
- meervoudsvormen
- correcties + vragen naar uitleg à metalinguistisch bewustzijn
- valse start (ik heeft… ik heb honger) = aarzelend spreken à komt veelal voor in emotionele
geladen situaties of wanneer kinderen te veel ineens wille vertellen
Voltooiingsfase (5 – 9)
- grammatica wordt afgewerkt
- kind kent de regels maar nog niet de uitzonderingen
- uitvoerig beschrijven en samenhangende verhalen vertellen
- kan verplaatsen in het standpunt van de luisteraar
- opzettelijke nonsenstaal
- misleiden en liegen
2. Waarnaar verwijzen de termen “éénwoordfase”, “tweewoordfase” en “meer-
woordfase”? Waarom wordt de laatste van deze drie fasen met “telegramstijl”
in verband gebracht?
In vroeglinguale periode
Éénwoordsfase (1-1,6)
- 1e woorden benoemen: personen, dieren, voorwerpen en acties uit het dagelijkse leven.
- het kind tast in interactie met een volwassenen voor confirmatie dat hij het juiste woordje heeft
gezegd
- eigenschap koppelen aan een voorwerp (bv warm=kachel)
= éénwoord zinnen
Begin syntaxis
Twee en meerwoordsfase (1,6 – 2,6)
Consonanten zijn medeklinkers
- geen brabbelen meer
- zinnen uitbreiden door losse elementen in wisselende combinaties op te bouwen (build-ups)
- langere uitingen in kleinere eenheden te splitsen (break-downs)
- proberen syntaxis (gebeurd bv: bed monologen)
Bijdrage 1: “De verwerving van het Nederlands: een blauwdruk” (A. Schaerlaekens)
1. Welke periodes en fasen pleegt men te onderscheiden in het proces van
moedertaalverwerving (MTV, of “kindertaalverwerving”) tussen 0 en 9 jaar?
Prelinguale periode (0j-1j)
Fase 1: huilen/schreien (Geboorte - 6 weken)
- luisteren naar stemmen (vooral van de moeder)
- geboortekreet + luid en zacht huilen
Fase 2: vocaliseren (6 weken – 4 maanden)
- luisteren selectief (spraakgeluiden)
- communicatie via oogcontact, mimiek, gebaren, aanrakingen, reuk en smaak
Fase 3: vocaal spel (4 – 7 maanden)
- vegetatieve geluidjes (slikken, boeren, kwijlen, hikken)
- protoconversatie: vocale communicatie + aanraken en aankijken
- fonologie komt passief op gang
Fase 4: brabbelen (8 – 14 maanden)
- repetitief brabbelen: hetzelfde groepje w herhaald
- gevorderd brabbelen
- zins en betekenis niveau vorderend
- 1e woordjes meestal in combinatie met lichaamsgebaar
- kind kan talig communiceren
Vroeglinguale periode (1j-2,5j)
- Woorden samengevoegd tot telegramstijlachtige (is taalgebruik dat uitzonderlijk bondig is)
zinnetjes.
-Stap wordt gezet van brabbelen naar betekenisvol taalgebruik
-Actief woordenschat en syntaxis (primitieve zinnetjes)
Éénwoordsfase (1-1,6j)
Twee en meerwoordsfase (1,6 – 2,6j)
à zie volgende vraag
, Differentiatiefase (2,5j – 5j)
- lezen en schrijven
- fonologie wordt afgewerkt
- gebruik van werkwoordstijden
- kinderen hanteren eerder ruimte dan tijdstipbegrippen
- woordenschat groei
- vraagzinnen met vraagwoorden
- meervoudsvormen
- correcties + vragen naar uitleg à metalinguistisch bewustzijn
- valse start (ik heeft… ik heb honger) = aarzelend spreken à komt veelal voor in emotionele
geladen situaties of wanneer kinderen te veel ineens wille vertellen
Voltooiingsfase (5 – 9)
- grammatica wordt afgewerkt
- kind kent de regels maar nog niet de uitzonderingen
- uitvoerig beschrijven en samenhangende verhalen vertellen
- kan verplaatsen in het standpunt van de luisteraar
- opzettelijke nonsenstaal
- misleiden en liegen
2. Waarnaar verwijzen de termen “éénwoordfase”, “tweewoordfase” en “meer-
woordfase”? Waarom wordt de laatste van deze drie fasen met “telegramstijl”
in verband gebracht?
In vroeglinguale periode
Éénwoordsfase (1-1,6)
- 1e woorden benoemen: personen, dieren, voorwerpen en acties uit het dagelijkse leven.
- het kind tast in interactie met een volwassenen voor confirmatie dat hij het juiste woordje heeft
gezegd
- eigenschap koppelen aan een voorwerp (bv warm=kachel)
= éénwoord zinnen
Begin syntaxis
Twee en meerwoordsfase (1,6 – 2,6)
Consonanten zijn medeklinkers
- geen brabbelen meer
- zinnen uitbreiden door losse elementen in wisselende combinaties op te bouwen (build-ups)
- langere uitingen in kleinere eenheden te splitsen (break-downs)
- proberen syntaxis (gebeurd bv: bed monologen)