(NEURO) BIOLOGIE
DEEL 1: (Epi)Genetica
H1: Bouwstenen en Celcylus
Bouwstenen
De bouwstenen: 4 groepen Moleculen:
Koolhydraten: sachariden of suikers -ose: glucose, saccharose, fructose
Brandstof - omzetten naar eiwitten en vetten - opslaan
Monosachariden, Disachariden, Polysachariden: zetmeel, glycogeen omzetting en opslaan
Lipiden: vetten
Opslaan: isolatie laag – afbraak: 2x energie als bij suikers
Verzadigde (dierlijke) en onverzadigde vetten (plantaardige): komen terug in het membraan van de cel
Eiwitten of proteïnen
Essentieel voor het organisme: verschillende functies
§ Plasma eiwitten: immunoglobuline (staan in voor immuunsysteem) , stollingsfactoren (staan
in voor stolling van het bloed), hemoglobine (staat in voor de zuurstof)
§ Receptoreiwitten: info van buitenwereld bv. Op de lens van het oog (zorgen voor het
ontvangen van informatie)
§ Hormonen: insuline: zorgt voor een goeie suikerspiegel
§ Enzymen: amylase en pepsine: zorgen voor de afbraak van andere stoffen
bouw:
§ Uit aminozuren (AZ), 20 verschillende AZ
§ Keten verschillende aminozuren:
polypeptideketen
- Peptidebinding: AZ + AZ
§ Driedimensionale structuur: Enorme variëteit aan
eiwitten
Van de 20 AZ: 8 essentiële dus opname via voeding is noodzakelijk.
AZ: kleinste onderdeel van een eiwit
,Eiwitstructuur:
Nucleïnezuren:
§ DNA (deoxyribo-nucleine -acid):
§ RNA (ribo- nucleïne -acid)
Erfelijk materiaal: opgeslagen in onze chromosomen
DNA: molecule waar de erfelijke informatie is opgeslagen
§ Info voor alle activiteiten van een cel
§ Stukje informatie = gen VB:. Kleur ogen
§ Langgerekte molecule (46) met honderden genen
§ Omzetting van DNA naar eiwitten: DNA code RNA eiwit
Bouw nucleïnezuren: polynucleotiden: ladderstructuur
§ Nucleotide: Fosfaat, Suiker en Base (stikstof)
§ DNA opbouw
Stikstofbasen:
- Adenine (A).
- Cytosine (C)
- Guanine (G)
- Thymine (T) (Uracil (U) in RNA)
,2 Basen verbinden met elkaar en vormen de treden:
Ê A – T (U)
Ê C–G
Fosfaat en suikers vormen de spijlen: 2 strengen
- 2 strengen zijn complementair
maar lopen in tegenovergestelde richting 5`-3`tov 3`-5`
- Dubbele helix: 2 strengen spiraalsgewijs opgewonden rond
denkbeeldige as.
- De volgorde van de basen zijn voor ieder gen verschillend en vormt
een code omgezet eiwit (oneindig veel mogelijkheden)
- Basis van de erfelijkheid
DNA VS RNA (kopie van het DNA, met slechts 1 streng)
De
cel
Celmembraan + cytoplasma+ celkern + celorganellen:
§ DNA: opslag erfelijk materiaal in de celkern
§ RNA: code voor de eiwitsynthese in cytoplasma
§ Ribosomen: omzetten van RNA in eiwit; eiwitsynthese in cytoplasma
Kern: kernmembraan met kernplasma
§ Chromosomen: bestaan uit DNA en eiwitten (histonen): mens 46 chromosomen: 23 paar
Chromosoom ontleed: DNA is opgedraaid op eiwitten, met name Histonen.
, CELKERN: zitten 46 chromosomen DNA + eiwitten
• Kernmembraan met poriën: In en uit van eiwitten, RNA, bouwstoffen
• Stukje DNA gekopieerd RNA
§ RNA = boodschap = messenger-RNA of m-RNA, uit de kern. Boodschap die de ribosoom moet
lezen om een eiwit te maken
§ m-RNA naar ribosomen AZ-keten opgebouwd eiwit = eiwitsynthese
DNA-processen (3)
DNA-replicatie : Voor de celdeling: verdubbelen van het erfelijk materiaal (voor de cel zich gaat delen)
Eiwitsynthese: DNA RNA eiwit = Info voor alle activiteiten van een cel
Mutatie: veranderingen in de basenvolgorde van het DNA
DNA-replicatie: DNA verdubbeld cel moet eerst delen voor die kan verdubbelen
§ Despiralisatie (strengen uiteen)
§ Verbreken van waterstofbruggen:
helicase (enzym)
§ Opbouw nieuwe strengen DNA aan de
oude keten:
polymerase semiconservatief
§ Opbouw in 1 richting: van 3’ naar 5’
§ 2 exacte kopieën
Eiwitsythese: DNA RNA m-RNA ribosomen (leest deze booschap)
polypeptideketen eiwit
DEEL 1: (Epi)Genetica
H1: Bouwstenen en Celcylus
Bouwstenen
De bouwstenen: 4 groepen Moleculen:
Koolhydraten: sachariden of suikers -ose: glucose, saccharose, fructose
Brandstof - omzetten naar eiwitten en vetten - opslaan
Monosachariden, Disachariden, Polysachariden: zetmeel, glycogeen omzetting en opslaan
Lipiden: vetten
Opslaan: isolatie laag – afbraak: 2x energie als bij suikers
Verzadigde (dierlijke) en onverzadigde vetten (plantaardige): komen terug in het membraan van de cel
Eiwitten of proteïnen
Essentieel voor het organisme: verschillende functies
§ Plasma eiwitten: immunoglobuline (staan in voor immuunsysteem) , stollingsfactoren (staan
in voor stolling van het bloed), hemoglobine (staat in voor de zuurstof)
§ Receptoreiwitten: info van buitenwereld bv. Op de lens van het oog (zorgen voor het
ontvangen van informatie)
§ Hormonen: insuline: zorgt voor een goeie suikerspiegel
§ Enzymen: amylase en pepsine: zorgen voor de afbraak van andere stoffen
bouw:
§ Uit aminozuren (AZ), 20 verschillende AZ
§ Keten verschillende aminozuren:
polypeptideketen
- Peptidebinding: AZ + AZ
§ Driedimensionale structuur: Enorme variëteit aan
eiwitten
Van de 20 AZ: 8 essentiële dus opname via voeding is noodzakelijk.
AZ: kleinste onderdeel van een eiwit
,Eiwitstructuur:
Nucleïnezuren:
§ DNA (deoxyribo-nucleine -acid):
§ RNA (ribo- nucleïne -acid)
Erfelijk materiaal: opgeslagen in onze chromosomen
DNA: molecule waar de erfelijke informatie is opgeslagen
§ Info voor alle activiteiten van een cel
§ Stukje informatie = gen VB:. Kleur ogen
§ Langgerekte molecule (46) met honderden genen
§ Omzetting van DNA naar eiwitten: DNA code RNA eiwit
Bouw nucleïnezuren: polynucleotiden: ladderstructuur
§ Nucleotide: Fosfaat, Suiker en Base (stikstof)
§ DNA opbouw
Stikstofbasen:
- Adenine (A).
- Cytosine (C)
- Guanine (G)
- Thymine (T) (Uracil (U) in RNA)
,2 Basen verbinden met elkaar en vormen de treden:
Ê A – T (U)
Ê C–G
Fosfaat en suikers vormen de spijlen: 2 strengen
- 2 strengen zijn complementair
maar lopen in tegenovergestelde richting 5`-3`tov 3`-5`
- Dubbele helix: 2 strengen spiraalsgewijs opgewonden rond
denkbeeldige as.
- De volgorde van de basen zijn voor ieder gen verschillend en vormt
een code omgezet eiwit (oneindig veel mogelijkheden)
- Basis van de erfelijkheid
DNA VS RNA (kopie van het DNA, met slechts 1 streng)
De
cel
Celmembraan + cytoplasma+ celkern + celorganellen:
§ DNA: opslag erfelijk materiaal in de celkern
§ RNA: code voor de eiwitsynthese in cytoplasma
§ Ribosomen: omzetten van RNA in eiwit; eiwitsynthese in cytoplasma
Kern: kernmembraan met kernplasma
§ Chromosomen: bestaan uit DNA en eiwitten (histonen): mens 46 chromosomen: 23 paar
Chromosoom ontleed: DNA is opgedraaid op eiwitten, met name Histonen.
, CELKERN: zitten 46 chromosomen DNA + eiwitten
• Kernmembraan met poriën: In en uit van eiwitten, RNA, bouwstoffen
• Stukje DNA gekopieerd RNA
§ RNA = boodschap = messenger-RNA of m-RNA, uit de kern. Boodschap die de ribosoom moet
lezen om een eiwit te maken
§ m-RNA naar ribosomen AZ-keten opgebouwd eiwit = eiwitsynthese
DNA-processen (3)
DNA-replicatie : Voor de celdeling: verdubbelen van het erfelijk materiaal (voor de cel zich gaat delen)
Eiwitsynthese: DNA RNA eiwit = Info voor alle activiteiten van een cel
Mutatie: veranderingen in de basenvolgorde van het DNA
DNA-replicatie: DNA verdubbeld cel moet eerst delen voor die kan verdubbelen
§ Despiralisatie (strengen uiteen)
§ Verbreken van waterstofbruggen:
helicase (enzym)
§ Opbouw nieuwe strengen DNA aan de
oude keten:
polymerase semiconservatief
§ Opbouw in 1 richting: van 3’ naar 5’
§ 2 exacte kopieën
Eiwitsythese: DNA RNA m-RNA ribosomen (leest deze booschap)
polypeptideketen eiwit