THERMISCH COMFORT
1 BEHAAGLIJKHEID
“Een toestand waarin nagenoeg niemand iets over zijn omgeving te klagen heeft.”
1.1 THERMISCHE BEHAAGLIJKHEID
- Thermisch comfort: geestesgesteldheid die tevredenheid uitdrukt over de thermische omgeving
- De toestand waarin de persoon zich totaal niet bewust is van zijn omgeving, en ook niet nadenkt of
de ruimte te warm of te koud is.
- Ontevredenheid: lichaam te warm of te koud/ door ongewenste verwarming of afkoeling van deel
lichaam.
1.2 DE MENSELIJKE WARMTEREGULATIE
3 1
4 2
2
5
Basisbehoefte gemiddeld persoon Ideale comfortcondities → alle parameters in evenwicht, tezamen
1.2.1 WARMTEAFGIFTE DOOR CONVECTIE
- De warmteafgifte door convectie: gevolg van temperatuurverschil tussen oppervlakte kleding en
omgevingslucht
- In België: bijna altijd positief temperatuurverschil
- (Sub)Tropische gebieden: negatief verschil vaak mogelijk
➔ Warmte stroomt van hoge temperatuur naar lage temperatuur
➔ Lucht rondom wordt opgewarmd tot 37 graden en begint te bewegen: convectiebeweging
1.2.2 WARMTEAFGIFTE DOOR STRALING
- De mens staat in een constante stralingswarmte-uitwisseling met de hem omgevende wanden.
- Deze warmte-uitwisseling is een zeer complex proces, waarin directe en indirecte straling, afstanden,
oppervlakteverhoudingen, e.d. een belangrijke rol spelen.
1.2.3 WARMTEAFGISTE DOOR VOCHTDIFFUSIE
- Het menselijk lichaam: 70% vocht (water)
o In de huid: verzadigde dampdruk (temperatuur van huid)
- De omgevingslucht: lagere dampdruk
o De huid: vocht doorlatend → dampdrukverschil zorgt voor vochttransport (≠ transpiratie)
➔ We geven ook warmte af door vocht af te geven
➔ Omgeving heeft een hoeveelheid vocht maar kan nog meer vocht gebruiken
1
,1.2.4 WARMTEAFGISTE DOOR TRANSPIRATIE
- Transpiratie: overschot aan warmte afvoeren → Vochtinname ter compensatie
- Verdampen van water vraagt veel energie dus verdampt water onttrekt energie van lichaam
➔ Water/zweetdruppels komen op de huid te staan
o Het water wilt verdampen (omgeving is niet verzadigd want we zien geen mist) maar om
te verdampen is er energie nodig
o Energie halen in de 37°C van ons lichaam want daar is het ‘te doen’
o Omdat we energie onttrekken koelt onze huid af
1.2.5 WARMTEAFGISTE DOOR LATENTE WARMTE IN WATERDAMP VAN UITGEADEMDE LUCHT
- Door het ademen komt een hoeveelheid omgevingslucht in de longen → bevat waterdamp
- De uitgeademde lucht (hogere temperatuur) is verzadigd met waterdamp
- Het verschil in vochtgehalte tussen uitademen en inademen bepaalt de warmtehoeveelheid die als
latente warmte zal worden afgevoerd.
Latente warmte:
De hoeveelheid energie in de vorm van warmte die nodig is om een stof een faseovergang te doen
ondergaan bij constante temperatuur en druk
➔ Het feit dat we waterdamp uitademen zorgt ervoor dat we de ruimte continu vochtig maken
➔ We krijgen ook energie als waterdamp terug vocht wordt (condenseren)
1.2.6 WARMTEAFGIFTE DOOR VOELBARE WARMTE IN DE UITGEADEMDE LUCHT
- Uitgeademde lucht is warmer dan omgevingslucht (ook deel voelbare warmte)
1.2.7 WARMTEAFGIFTE DOOR KLEDING
- Kleding als de “omwanding” van het naakte lichaam → huid warmer dan het oppervlak van de kleding
Voor kleding kan dan ook een “transmissieberekening” worden gemaakt.
- Warmteweerstand van de kleding: clo- waarde (clo van clothing).
CLO 0 = naakt CLO 1 = normale kantoorkleding CLO 2 = winterkleding
1.2.8 WARMTEAFGIFTE DOOR METABOLISME
- Voedsel: energievoorziening van lichaam
- Verbranding van voedsel: zuurstof nodig die door inademing wordt opgenomen
➔ Er is dus een relatie tussen het ademen en de voedsel-verbranding.
- Bij verbranding komt warmte vrij = metabolisme
o Moet afgevoerd worden (arbeid is vorm van warmte)
Eenheid: Watt of MET → 1 MET= 58.2 Watt
We geven op 2 manieren warmte af: Bij 22°C ongeveer 80 W MET (= voelbare warmte) en 50W latente warmte
2
, 1.2.9 WARMTEAFGIFTE DOOR VERRICHTE ARBEID
- Deel van vrijgekomen verbrandingswarmte van voedsel wordt benut voor het verrichten van
(uitwendige) arbeid.
- Toenemende arbeidsinspanning → meer voedsel nuttigen
- Onder “normale” omstandigheden: aandeel van de arbeid in het metabolisme is klein
1.2.10 WARMTEAFGIFTE DOOR GELEIDING
- Aandeel van de geleiding in het warmtetransport is te verwaarlozen maar speelt wel een rol
- Contacttemperatuur: aanraking van voorwerpen, afhankelijk van stofeigenschappen van huid en
aangeraakte voorwerp.
Aanraking van vloeren= “voetwarm”
Indien niet onaangenaam = “bvloer”
1.2.11 WARMTEAFGIFTE IN NORMALE OMSTANDIGHEDEN
Onder “normale” omstandigheden is de verhouding van de aandelen in de warmteafgifte ongeveer als volgt:
• Afgifte door straling +/- 50%
• Afgifte door convectie +/- 30%
• Afgifte door verdamping +/- 20%
• (FYI = “verdunstung” = verdamping)
→Straling zakt naarmate de temperatuur stijgt
→Buiten 37°C → lichaam 35°C met kleding → we kunnen niet
meer stralen, geen convectie rondom ons omdat de temperatuur
gelijk is (buiten en binnenin ons)
1.2.12 OPERATIEVE TEMPERATUUR (T R S )
Voorbeeld: Oplossing:
• Kubus: zijde 5cm • Temp lucht = 20°C
• Lucht = 20°C • Temp wanden gemiddeld:
• Vloer (vloerverwarming) = 25°C 25m²×25°C = 625 m²°C
• Wanden glas = 15°C 25m²415°C = 1500m²°C
• Plafond glas = 15°C 25m²15°C= 375m²°C
= 2500m²°C/ oppervlakte = 25m²6 = 150m²
• Temp wanden gemiddeld= 16,67°C
➔ Temp operatief = (16,67°C+20°C)/2 =
18,33°C
Mag er +/- 2K (°C) naast
zitten om nog steeds
comfortabel aan te
3
voelen.
1 BEHAAGLIJKHEID
“Een toestand waarin nagenoeg niemand iets over zijn omgeving te klagen heeft.”
1.1 THERMISCHE BEHAAGLIJKHEID
- Thermisch comfort: geestesgesteldheid die tevredenheid uitdrukt over de thermische omgeving
- De toestand waarin de persoon zich totaal niet bewust is van zijn omgeving, en ook niet nadenkt of
de ruimte te warm of te koud is.
- Ontevredenheid: lichaam te warm of te koud/ door ongewenste verwarming of afkoeling van deel
lichaam.
1.2 DE MENSELIJKE WARMTEREGULATIE
3 1
4 2
2
5
Basisbehoefte gemiddeld persoon Ideale comfortcondities → alle parameters in evenwicht, tezamen
1.2.1 WARMTEAFGIFTE DOOR CONVECTIE
- De warmteafgifte door convectie: gevolg van temperatuurverschil tussen oppervlakte kleding en
omgevingslucht
- In België: bijna altijd positief temperatuurverschil
- (Sub)Tropische gebieden: negatief verschil vaak mogelijk
➔ Warmte stroomt van hoge temperatuur naar lage temperatuur
➔ Lucht rondom wordt opgewarmd tot 37 graden en begint te bewegen: convectiebeweging
1.2.2 WARMTEAFGIFTE DOOR STRALING
- De mens staat in een constante stralingswarmte-uitwisseling met de hem omgevende wanden.
- Deze warmte-uitwisseling is een zeer complex proces, waarin directe en indirecte straling, afstanden,
oppervlakteverhoudingen, e.d. een belangrijke rol spelen.
1.2.3 WARMTEAFGISTE DOOR VOCHTDIFFUSIE
- Het menselijk lichaam: 70% vocht (water)
o In de huid: verzadigde dampdruk (temperatuur van huid)
- De omgevingslucht: lagere dampdruk
o De huid: vocht doorlatend → dampdrukverschil zorgt voor vochttransport (≠ transpiratie)
➔ We geven ook warmte af door vocht af te geven
➔ Omgeving heeft een hoeveelheid vocht maar kan nog meer vocht gebruiken
1
,1.2.4 WARMTEAFGISTE DOOR TRANSPIRATIE
- Transpiratie: overschot aan warmte afvoeren → Vochtinname ter compensatie
- Verdampen van water vraagt veel energie dus verdampt water onttrekt energie van lichaam
➔ Water/zweetdruppels komen op de huid te staan
o Het water wilt verdampen (omgeving is niet verzadigd want we zien geen mist) maar om
te verdampen is er energie nodig
o Energie halen in de 37°C van ons lichaam want daar is het ‘te doen’
o Omdat we energie onttrekken koelt onze huid af
1.2.5 WARMTEAFGISTE DOOR LATENTE WARMTE IN WATERDAMP VAN UITGEADEMDE LUCHT
- Door het ademen komt een hoeveelheid omgevingslucht in de longen → bevat waterdamp
- De uitgeademde lucht (hogere temperatuur) is verzadigd met waterdamp
- Het verschil in vochtgehalte tussen uitademen en inademen bepaalt de warmtehoeveelheid die als
latente warmte zal worden afgevoerd.
Latente warmte:
De hoeveelheid energie in de vorm van warmte die nodig is om een stof een faseovergang te doen
ondergaan bij constante temperatuur en druk
➔ Het feit dat we waterdamp uitademen zorgt ervoor dat we de ruimte continu vochtig maken
➔ We krijgen ook energie als waterdamp terug vocht wordt (condenseren)
1.2.6 WARMTEAFGIFTE DOOR VOELBARE WARMTE IN DE UITGEADEMDE LUCHT
- Uitgeademde lucht is warmer dan omgevingslucht (ook deel voelbare warmte)
1.2.7 WARMTEAFGIFTE DOOR KLEDING
- Kleding als de “omwanding” van het naakte lichaam → huid warmer dan het oppervlak van de kleding
Voor kleding kan dan ook een “transmissieberekening” worden gemaakt.
- Warmteweerstand van de kleding: clo- waarde (clo van clothing).
CLO 0 = naakt CLO 1 = normale kantoorkleding CLO 2 = winterkleding
1.2.8 WARMTEAFGIFTE DOOR METABOLISME
- Voedsel: energievoorziening van lichaam
- Verbranding van voedsel: zuurstof nodig die door inademing wordt opgenomen
➔ Er is dus een relatie tussen het ademen en de voedsel-verbranding.
- Bij verbranding komt warmte vrij = metabolisme
o Moet afgevoerd worden (arbeid is vorm van warmte)
Eenheid: Watt of MET → 1 MET= 58.2 Watt
We geven op 2 manieren warmte af: Bij 22°C ongeveer 80 W MET (= voelbare warmte) en 50W latente warmte
2
, 1.2.9 WARMTEAFGIFTE DOOR VERRICHTE ARBEID
- Deel van vrijgekomen verbrandingswarmte van voedsel wordt benut voor het verrichten van
(uitwendige) arbeid.
- Toenemende arbeidsinspanning → meer voedsel nuttigen
- Onder “normale” omstandigheden: aandeel van de arbeid in het metabolisme is klein
1.2.10 WARMTEAFGIFTE DOOR GELEIDING
- Aandeel van de geleiding in het warmtetransport is te verwaarlozen maar speelt wel een rol
- Contacttemperatuur: aanraking van voorwerpen, afhankelijk van stofeigenschappen van huid en
aangeraakte voorwerp.
Aanraking van vloeren= “voetwarm”
Indien niet onaangenaam = “bvloer”
1.2.11 WARMTEAFGIFTE IN NORMALE OMSTANDIGHEDEN
Onder “normale” omstandigheden is de verhouding van de aandelen in de warmteafgifte ongeveer als volgt:
• Afgifte door straling +/- 50%
• Afgifte door convectie +/- 30%
• Afgifte door verdamping +/- 20%
• (FYI = “verdunstung” = verdamping)
→Straling zakt naarmate de temperatuur stijgt
→Buiten 37°C → lichaam 35°C met kleding → we kunnen niet
meer stralen, geen convectie rondom ons omdat de temperatuur
gelijk is (buiten en binnenin ons)
1.2.12 OPERATIEVE TEMPERATUUR (T R S )
Voorbeeld: Oplossing:
• Kubus: zijde 5cm • Temp lucht = 20°C
• Lucht = 20°C • Temp wanden gemiddeld:
• Vloer (vloerverwarming) = 25°C 25m²×25°C = 625 m²°C
• Wanden glas = 15°C 25m²415°C = 1500m²°C
• Plafond glas = 15°C 25m²15°C= 375m²°C
= 2500m²°C/ oppervlakte = 25m²6 = 150m²
• Temp wanden gemiddeld= 16,67°C
➔ Temp operatief = (16,67°C+20°C)/2 =
18,33°C
Mag er +/- 2K (°C) naast
zitten om nog steeds
comfortabel aan te
3
voelen.