Sociale
sociale psychologie
psychologie
Hoofdstuk 1: wat is sociale psychologie?
Twee vragen:
Hoe reageren individuen in sociale situaties?
Wat is de invloed van anderen (en hun gedrag) op een individu?
Mens wordt altijd beïnvloed => je kan niet niet beïnvloed worden
Alle gedrag is sociaal gedrag
➔ We hebben anderen nodig
➔ We zijn kuddedieren
Bewust / onbewust
Materiële object: beïnvloeding
Studieobject: Expliciet / impliciet
formele object: wetmatigheden
Sociale
Algemene psychologie sociologie
psychologie
Sociale psychologie bevindt zich
op het raakvlak tussen sociologie
en algemene psychologie
Definitie van Allport: Sociale psychologie is de studie die tracht te begrijpen, verklaren en
voorspellen hoe de gedachten, gevoelens en gedragingen van
individuen beïnvloed worden door de waargenomen, ingebeelde of
impliciete gedachten, gevoelens en gedragingen van anderen.
1
,Werkwijze sociale psychologie:
➔ Drie dimensies:
Breedte:
• Zo breed mogelijk onderzoeksgebied
• Zo breed mogelijke populatie => alle lagen van de bevolking
Diepte => onderliggende motivaties van gedrag
• = een meer filosofische benadering
Hoogte: nadelen:
• Als één theorie een fout bevat dan heeft dat gevolgen voor de daarop
uitgebouwde theorieën
• Te veel theorieën die op elkaar gebouwd zijn zorgen voor het verliezen van
een duidelijk overzicht tussen de verschillende theorieën
Het experiment als methode:
= een vaak gebruikte methode om causale wetmatigheden te zoeken en te verklaren
➔ Voordelen:
Controle Een labosituatie = een situatie waarin je alle
Labosituatie onafhankelijke variabelen én alle storende factoren
Herhaalbaar zo veel mogelijk onder controle kan houden
Kwantificeerbaar
Objectief en eenduidig
➔ Nadelen:
Controle
Deontologie
Reactiviteit
Externe validiteit
Labosituaties
Unobtrusive measures
Proefleiders-effecten
Self-fulfilling prophecy
Pygmalion-effect
Cover story
Dubbel blind
2
,Hoofdstuk: hulpverlenend gedrag
➔ Plato: mensen zoeken sociaal contact om hier voordeel uit te halen voor zichzelf, niet uit
behoefte aan anderen => de mens is egoïstisch
➔ Toch: vaak het tegenovergestelde: altruïsme
Altruïsme = het stellen van een gedrag waarbij je de ander centraal = tegenpool van egoïsme
stelt en dus op de één of andere manier voordeel bezorgt en je je
eigen voordeel als minder belangrijk beschouwt of je jezelf benadeelt
➔ McClintock: altruïsme is het streven naar een maximalisatie van de opbrengst voor anderen
Tegenpool = agressie (= het streven naar het minimum aan opbrengsten voor de
ander)
Kitty Genovese:
= de moord op Catherine Genovese in 1964 => was de aanleiding tot heel wat onderzoek naar
hulpverlenend gedrag en altruïsme en dan vooral naar de omstandigheden waarin dit gedrag niet wordt
gesteld.
➔ New York
➔ 13 maart
➔ 3u ’s nachts
➔ Totale moord: 32 minuten
➔ 17 messteken
➔ 38 getuigen/omwonenden
Diffusie van de verantwoordelijkheid:
➔ Darley & Latané
Bystander apathy of apathie der omstanders
Verklaring: diffusie van de verantwoordelijkheid → hoe meer omstanders er bij een
noodsituatie zijn, hoe kleiner de kans wordt dat het slachtoffer zal geholpen worden
• Door de aanwezigheid van andere mogelijke hulpverleners wordt hulpverlenend
gedrag van elk individu sterk geremd (p. 28)
• Er is minder schuldgevoel achteraf indien je niet hebt geholpen
Experiment
3
,Factoren van de invloed op het hulpverlenend gedrag:
➔ Experiment Darley en Latané: bekendheid van de medegetuigen (bibliotheek)
➔ Competentie van de omstanders: wat indien er wel andere getuigen zijn, maar jij de enige bent
die kan helpen? => twee experimenten
kosten en baten:
kosten = de nadelen
Sociale uitwisselingstheorie:
baten = de voordelen
➢ Bij niet helpen: afweging kosten en baten
➢ Verschillend gewicht van alle elementen: kosten/baten-
balans
➔ Houdt rekening met:
Positieve gevolgen
helpen
negatieve gevolgen
Kosten/baten
Positieve gevolgen
Niet helpen
negatieve gevolgen
4
, Gevolgen van helpen en niet helpen
Helpen Niet helpen
Negatieve gevolgen
gevaar voor jezelf (experiment metro) Schuldgevoel
Gevaar voor het slachtoffer Teleurstelling in jezelf
Tijdverlies (experiment seminaristen) Angst voor sancties (experiment: diefstal
bandrecorder)
Normconflict (experiment ruzie)
Positieve gevolgen
Dankbaarheid Omgekeerde van negatieve gevolgen van helpen
Goed gevoel
Vermijden van schuldgevoel/ bewaren van
gemoedsrust
Beloning:
Financieel
‘in natura’ (liefde, vriendschap, knuffel)
Erkenning/dankbaarheid door slachtoffer
en anderen
Schuldgevoel
Een mogelijk schuldgevoel kan het hulpverlenend gedrag stimuleren
Schuldgevoel:
Tegenover het slachtoffer => experiment
Tegenover een andere persoon dan het slachtoffer => experiment
Empathie en spiegelneuronen
Eigenschap van empathie is belangrijk om over te kunnen gaan tot hulpverlenend gedrag => zonder
inlevingsvermogen is het onmogelijk om ons voor te stellen hoe iemand zich in nood voelt
➔ Hoe meer empathie, hoe sterker je geneigd zal zijn om een handje toe te steken
Empathie = sterk beïnvloed door activiteit van spiegelneuronen of spiegelcellen
➔ Zijn cellen die zich in de premotorische cortex en pariëtale kwabben bevinden en die reageren
op gedrag van anderen die we observeren
5
sociale psychologie
psychologie
Hoofdstuk 1: wat is sociale psychologie?
Twee vragen:
Hoe reageren individuen in sociale situaties?
Wat is de invloed van anderen (en hun gedrag) op een individu?
Mens wordt altijd beïnvloed => je kan niet niet beïnvloed worden
Alle gedrag is sociaal gedrag
➔ We hebben anderen nodig
➔ We zijn kuddedieren
Bewust / onbewust
Materiële object: beïnvloeding
Studieobject: Expliciet / impliciet
formele object: wetmatigheden
Sociale
Algemene psychologie sociologie
psychologie
Sociale psychologie bevindt zich
op het raakvlak tussen sociologie
en algemene psychologie
Definitie van Allport: Sociale psychologie is de studie die tracht te begrijpen, verklaren en
voorspellen hoe de gedachten, gevoelens en gedragingen van
individuen beïnvloed worden door de waargenomen, ingebeelde of
impliciete gedachten, gevoelens en gedragingen van anderen.
1
,Werkwijze sociale psychologie:
➔ Drie dimensies:
Breedte:
• Zo breed mogelijk onderzoeksgebied
• Zo breed mogelijke populatie => alle lagen van de bevolking
Diepte => onderliggende motivaties van gedrag
• = een meer filosofische benadering
Hoogte: nadelen:
• Als één theorie een fout bevat dan heeft dat gevolgen voor de daarop
uitgebouwde theorieën
• Te veel theorieën die op elkaar gebouwd zijn zorgen voor het verliezen van
een duidelijk overzicht tussen de verschillende theorieën
Het experiment als methode:
= een vaak gebruikte methode om causale wetmatigheden te zoeken en te verklaren
➔ Voordelen:
Controle Een labosituatie = een situatie waarin je alle
Labosituatie onafhankelijke variabelen én alle storende factoren
Herhaalbaar zo veel mogelijk onder controle kan houden
Kwantificeerbaar
Objectief en eenduidig
➔ Nadelen:
Controle
Deontologie
Reactiviteit
Externe validiteit
Labosituaties
Unobtrusive measures
Proefleiders-effecten
Self-fulfilling prophecy
Pygmalion-effect
Cover story
Dubbel blind
2
,Hoofdstuk: hulpverlenend gedrag
➔ Plato: mensen zoeken sociaal contact om hier voordeel uit te halen voor zichzelf, niet uit
behoefte aan anderen => de mens is egoïstisch
➔ Toch: vaak het tegenovergestelde: altruïsme
Altruïsme = het stellen van een gedrag waarbij je de ander centraal = tegenpool van egoïsme
stelt en dus op de één of andere manier voordeel bezorgt en je je
eigen voordeel als minder belangrijk beschouwt of je jezelf benadeelt
➔ McClintock: altruïsme is het streven naar een maximalisatie van de opbrengst voor anderen
Tegenpool = agressie (= het streven naar het minimum aan opbrengsten voor de
ander)
Kitty Genovese:
= de moord op Catherine Genovese in 1964 => was de aanleiding tot heel wat onderzoek naar
hulpverlenend gedrag en altruïsme en dan vooral naar de omstandigheden waarin dit gedrag niet wordt
gesteld.
➔ New York
➔ 13 maart
➔ 3u ’s nachts
➔ Totale moord: 32 minuten
➔ 17 messteken
➔ 38 getuigen/omwonenden
Diffusie van de verantwoordelijkheid:
➔ Darley & Latané
Bystander apathy of apathie der omstanders
Verklaring: diffusie van de verantwoordelijkheid → hoe meer omstanders er bij een
noodsituatie zijn, hoe kleiner de kans wordt dat het slachtoffer zal geholpen worden
• Door de aanwezigheid van andere mogelijke hulpverleners wordt hulpverlenend
gedrag van elk individu sterk geremd (p. 28)
• Er is minder schuldgevoel achteraf indien je niet hebt geholpen
Experiment
3
,Factoren van de invloed op het hulpverlenend gedrag:
➔ Experiment Darley en Latané: bekendheid van de medegetuigen (bibliotheek)
➔ Competentie van de omstanders: wat indien er wel andere getuigen zijn, maar jij de enige bent
die kan helpen? => twee experimenten
kosten en baten:
kosten = de nadelen
Sociale uitwisselingstheorie:
baten = de voordelen
➢ Bij niet helpen: afweging kosten en baten
➢ Verschillend gewicht van alle elementen: kosten/baten-
balans
➔ Houdt rekening met:
Positieve gevolgen
helpen
negatieve gevolgen
Kosten/baten
Positieve gevolgen
Niet helpen
negatieve gevolgen
4
, Gevolgen van helpen en niet helpen
Helpen Niet helpen
Negatieve gevolgen
gevaar voor jezelf (experiment metro) Schuldgevoel
Gevaar voor het slachtoffer Teleurstelling in jezelf
Tijdverlies (experiment seminaristen) Angst voor sancties (experiment: diefstal
bandrecorder)
Normconflict (experiment ruzie)
Positieve gevolgen
Dankbaarheid Omgekeerde van negatieve gevolgen van helpen
Goed gevoel
Vermijden van schuldgevoel/ bewaren van
gemoedsrust
Beloning:
Financieel
‘in natura’ (liefde, vriendschap, knuffel)
Erkenning/dankbaarheid door slachtoffer
en anderen
Schuldgevoel
Een mogelijk schuldgevoel kan het hulpverlenend gedrag stimuleren
Schuldgevoel:
Tegenover het slachtoffer => experiment
Tegenover een andere persoon dan het slachtoffer => experiment
Empathie en spiegelneuronen
Eigenschap van empathie is belangrijk om over te kunnen gaan tot hulpverlenend gedrag => zonder
inlevingsvermogen is het onmogelijk om ons voor te stellen hoe iemand zich in nood voelt
➔ Hoe meer empathie, hoe sterker je geneigd zal zijn om een handje toe te steken
Empathie = sterk beïnvloed door activiteit van spiegelneuronen of spiegelcellen
➔ Zijn cellen die zich in de premotorische cortex en pariëtale kwabben bevinden en die reageren
op gedrag van anderen die we observeren
5