Bacteriën Overzicht
Bouw
● Bacteriën hebben een cytoplasma membraan (fosfolipide bilaag) met veel
membraaneiwitten
○ Lipid synthese
○ Nutriënt transport
○ Signaaltransductie
○ Eiwitsecretie
■ Secretie van cytoplasma naar
periplasmatische ruimte
■ Secretie van cytoplasma naar omgeving
■ Secretie van cytoplasma naar het
cytoplasma van een eukaryote cel
○ Chemotaxis
■ Dit werkt samen met een flagel en bepaalt waar de bacterie naartoe
beweegt
○ Elektron transport
● Bacteriën hebben aan de binnenkant cytoplasma
○ 80% van het cytoplasma is water
○ DNA
■ Bacteriën hebben een circulair chromosoom
dat zich los in het cytoplasma bevindt
○ Plasmiden
○ RNA
■ Bacteriën hebben mRNA en rRNA
○ Ribosomen voor eiwitsynthese
○ Oplosbare eiwitten voor huishouding
● Aan de buitenkant van het cytoplasma membraan zit een
peptidoglycaanlaag
○ Peptidoglycaan bestaat uit suikers en aminozuren
■ De aminozuren zijn rechtsdraaiend
■ De suikers zijn N-acetyl glucosamine en
N-acetyl muramine
○ Peptideglycaan zorgt voor stevigheid en is
doorlaatbaar
○ Aan de hand van peptidoglycaan zijn 2
klassen van bacteriën te onderscheiden
■ Gram-positieve bacteriën
● Hebben een dikke
peptidoglycaanlaag die
verkankerd is met
teichoïnezuren
● Kleuren blauw
■ Gram-negatieve bacteriën
, ● Hebben een dunne
peptidoglycaanlaag
● Kleuren rood
● Deze bacterën hebben een extra
buitenmembraan die met LPS
moleculen verkankerd zit, dit geeft
extra stevigheid aan de bacterie
○ LPS heeft een lipid A gedeelte
■ Dit is het toxische gedeelte van LPS en valt
onder de endotoxinen. Als de bacterie kapot
gaat komt het vrij
■ Dit is het deel dat verankerd zit in het
membraan en bestaat uit 5-7 ketens. een lipid A
met 6 ketens is het meest toxisch
○ LPS heeft een O-specifieke polysaccharide keten dat
dient als antigen
○ De suikers en lengte van de polysaccharide variëren
sterkt tussen bacteriesoorten
● Aan de buitenkant van de peptidoglycaanlaag kan een
polysaccharide kapsel zitten
○ Dit komt voor bij Gram-negatieve bacteriën, en
soms ook bij Gram-positieve bacteriën
○ De functies van de kapsel zijn
■ Makkelijke hecthing
■ Bescherming tegen onvriendelijke
omgevingscondities
■ Bescherming tegen gastheer defensies
● Bacteriën kunnen 1 of meerdere flagellen bezitten
○ Flagellen zitten verankerd in het membraan en zijn
hol van binnen, hierdoor kunnen eiwitten erdoorheer
gaan
○ Bouw van een flagel
■ Basal body
● Dit is het deel dat in de bacterie
verankerd zit
● Het bestaat uit outer rings, rod, en
inner rings
■ Hook
● Dit is het deel dat een hoek aan de
flagel geeft
■ Filament
● Dit is de rest van de flagel
○ Flagellen zorgen ervoor dat de bacterie zich voort kan bewegen, ook kan het
helpen bij de hechting aan cellen
○ Sommige bacteriën hebben heel veel
flagellen
■ Als ze tegen de klok in bewegen zal
de bacterie vooruit gaan
Bouw
● Bacteriën hebben een cytoplasma membraan (fosfolipide bilaag) met veel
membraaneiwitten
○ Lipid synthese
○ Nutriënt transport
○ Signaaltransductie
○ Eiwitsecretie
■ Secretie van cytoplasma naar
periplasmatische ruimte
■ Secretie van cytoplasma naar omgeving
■ Secretie van cytoplasma naar het
cytoplasma van een eukaryote cel
○ Chemotaxis
■ Dit werkt samen met een flagel en bepaalt waar de bacterie naartoe
beweegt
○ Elektron transport
● Bacteriën hebben aan de binnenkant cytoplasma
○ 80% van het cytoplasma is water
○ DNA
■ Bacteriën hebben een circulair chromosoom
dat zich los in het cytoplasma bevindt
○ Plasmiden
○ RNA
■ Bacteriën hebben mRNA en rRNA
○ Ribosomen voor eiwitsynthese
○ Oplosbare eiwitten voor huishouding
● Aan de buitenkant van het cytoplasma membraan zit een
peptidoglycaanlaag
○ Peptidoglycaan bestaat uit suikers en aminozuren
■ De aminozuren zijn rechtsdraaiend
■ De suikers zijn N-acetyl glucosamine en
N-acetyl muramine
○ Peptideglycaan zorgt voor stevigheid en is
doorlaatbaar
○ Aan de hand van peptidoglycaan zijn 2
klassen van bacteriën te onderscheiden
■ Gram-positieve bacteriën
● Hebben een dikke
peptidoglycaanlaag die
verkankerd is met
teichoïnezuren
● Kleuren blauw
■ Gram-negatieve bacteriën
, ● Hebben een dunne
peptidoglycaanlaag
● Kleuren rood
● Deze bacterën hebben een extra
buitenmembraan die met LPS
moleculen verkankerd zit, dit geeft
extra stevigheid aan de bacterie
○ LPS heeft een lipid A gedeelte
■ Dit is het toxische gedeelte van LPS en valt
onder de endotoxinen. Als de bacterie kapot
gaat komt het vrij
■ Dit is het deel dat verankerd zit in het
membraan en bestaat uit 5-7 ketens. een lipid A
met 6 ketens is het meest toxisch
○ LPS heeft een O-specifieke polysaccharide keten dat
dient als antigen
○ De suikers en lengte van de polysaccharide variëren
sterkt tussen bacteriesoorten
● Aan de buitenkant van de peptidoglycaanlaag kan een
polysaccharide kapsel zitten
○ Dit komt voor bij Gram-negatieve bacteriën, en
soms ook bij Gram-positieve bacteriën
○ De functies van de kapsel zijn
■ Makkelijke hecthing
■ Bescherming tegen onvriendelijke
omgevingscondities
■ Bescherming tegen gastheer defensies
● Bacteriën kunnen 1 of meerdere flagellen bezitten
○ Flagellen zitten verankerd in het membraan en zijn
hol van binnen, hierdoor kunnen eiwitten erdoorheer
gaan
○ Bouw van een flagel
■ Basal body
● Dit is het deel dat in de bacterie
verankerd zit
● Het bestaat uit outer rings, rod, en
inner rings
■ Hook
● Dit is het deel dat een hoek aan de
flagel geeft
■ Filament
● Dit is de rest van de flagel
○ Flagellen zorgen ervoor dat de bacterie zich voort kan bewegen, ook kan het
helpen bij de hechting aan cellen
○ Sommige bacteriën hebben heel veel
flagellen
■ Als ze tegen de klok in bewegen zal
de bacterie vooruit gaan