Wiskunde hoofdstuk 7 + 11 samenvatting
Hoofdstuk 7
Intervallen
- Je zegt: ‘’ De grafiek is stijgend/dalend op het interval <..,..>’’
- Open interval
~ Je gebruikt <..,..>
~ De grenzen doen niet mee
- Gesloten interval
~ Je gebruikt [..,..]
~ De grenzen doen mee
- Groter of kleiner dan
~ Alle getallen boven/onder
~ Voorbeeld: <5, > betekent alle getallen boven 5 behoren tot interval
Maximum: De toppen van de grafiek
Absoluut maximum: Het allerhoogste punt van de grafiek
Minimum: De laagste punten van de grafiek
Absoluut minimum: Het allerlaagste punt van de grafiek
, Toename diagram
t = 0 tot t = 1 Toename Δ N = 10
t = 1 tot t = 2 Toename Δ N = 15
t = 4 tot t = 5 Afname Δ N = -7
t = 5 tot t = 6 Afname Δ N = -5
1. Bereken per interval en zet het in een tabel
2. Zet elk berekende Δ N in een toenamediagram
Gemiddelde verandering
Voorbeeld: Tussen periode 1840 – 1940 een toename van N=5,8
ΔN 5,8
Aanpak: = =0,058
Δt 100
Voorbeeld: Tussen periode 1940 – 1970 een toename van N=4,2
ΔN 4,2
Aanpak : = =0,14
Δt 30
Differentiequotiënten bij grafieken
Δy
- Differentiequotiënten bereken je als
Δx
Voorbeeld: Y-punten zijn 2 en 5, X-punten zijn 1 en 6
Aanpak: Δy =5−2=3
Δx =6−1=5
Δy 3
= =0,6
Δx 5
Hoofdstuk 7
Intervallen
- Je zegt: ‘’ De grafiek is stijgend/dalend op het interval <..,..>’’
- Open interval
~ Je gebruikt <..,..>
~ De grenzen doen niet mee
- Gesloten interval
~ Je gebruikt [..,..]
~ De grenzen doen mee
- Groter of kleiner dan
~ Alle getallen boven/onder
~ Voorbeeld: <5, > betekent alle getallen boven 5 behoren tot interval
Maximum: De toppen van de grafiek
Absoluut maximum: Het allerhoogste punt van de grafiek
Minimum: De laagste punten van de grafiek
Absoluut minimum: Het allerlaagste punt van de grafiek
, Toename diagram
t = 0 tot t = 1 Toename Δ N = 10
t = 1 tot t = 2 Toename Δ N = 15
t = 4 tot t = 5 Afname Δ N = -7
t = 5 tot t = 6 Afname Δ N = -5
1. Bereken per interval en zet het in een tabel
2. Zet elk berekende Δ N in een toenamediagram
Gemiddelde verandering
Voorbeeld: Tussen periode 1840 – 1940 een toename van N=5,8
ΔN 5,8
Aanpak: = =0,058
Δt 100
Voorbeeld: Tussen periode 1940 – 1970 een toename van N=4,2
ΔN 4,2
Aanpak : = =0,14
Δt 30
Differentiequotiënten bij grafieken
Δy
- Differentiequotiënten bereken je als
Δx
Voorbeeld: Y-punten zijn 2 en 5, X-punten zijn 1 en 6
Aanpak: Δy =5−2=3
Δx =6−1=5
Δy 3
= =0,6
Δx 5