Leerjaar 2, Periode 1
, Samenvatting Recht Leerjaar 2, Periode 1
In staat zijn de onderstaande wetten toe te passen bij het in kaart brengen
van eenvoudige problematische situaties van migranten en unnen aangeven
welk rechtsmiddel openstaat tegen een besluit genomen op basis van de
Rijkswet op het Nederlanderschap, de vreemdelingenregelgeving en de Wet
Inburgering
Rijkswet op het Nederlanderschap
Bepaalde verdragen hebben als doel het tegengaan van meervoudige nationaliteit
(bipatridie) en het tegengaan van staatsloosheid (apatridie). Het uitgangspunt is dus het
voorkomen van meervoudige nationaliteit, al is dit regelmatig niet haalbaar. Om deze
verdragen tegemoet te komen is er in Nederland de Rijkswet op het Nederlanderschap. Men
noemt deze wet de Rijkswet omdat hij ook alle onderdelen van het Koninkrijk der
Nederlanden van toepassing is. Deze wet regelt het verkrijgen
en het verliezen van het Nederlanderschap. Staatsburgerschap kun je op 3 verschillende
manieren verkrijgen:
1. Van rechtswege (art 5 Rijkswet)
Door een bepaalde gebeurtenis krijgt men de Nederlandse nationaliteit. Een voorbeeld
hiervan is een geboorte. Wat hiermee samenhangt is de nationaliteit van een van beide
ouders. Deze moet Nederlands zijn. Je bent ook Nederlander als je in het buitenland geboren
wordt, terwijl je Nederlandse ouders hebt. Als een ouder een kind krijgt, dan ontstaat er een
familierechtelijke betrekking tussen deze 2.
Een andere manier om van rechtswege het Nederlanderschap te krijgen is erkenning. Als de
ouder je erkent, ben je dan dus Nederlander.
Een derde manier is adoptie. Hetzelfde principe: als je geadopteerd wordt, ontstaat er een
familierechtelijke betrekking en dus ben je Nederlander. Tenslotte is er ook nog de vondeling.
Als een kind gevonden wordt op Nederlands grondgebied of op een voertuig dat in
Nederland geregistreerd staat, dan krijgt het kind de Nederlandse nationaliteit. Dit kan
ongedaan worden gemaakt als de moeder van de vondeling binnen 5 jaar weer terecht
komt.
2. Nederlanderschap door optie (art 6A en 6B Rijkswet)
2e generatie vreemdelingen kunnen het Nederlands staatsburgerschap aanvragen.
3. Door verlening (ook wel naturalisatie genoemd) (art 7-13 Rijkswet)
Voorwaarden voor verlening zijn dat een verzoeker meerderjarig is. Als een ouder de
aanvraag doet, dan krijgt een eventueel kind automatisch ook het burgerschap. De
verzoeker moet ook minstens 5 jaar legaal in Nederland verblijven. De enige uitzondering op
deze regel is als je duurzaam wilt samenleven met een Nederlander in het oogpunt van
gezinsvorming. Dan wordt de termijn verkort naar 3 jaar. Daarnaast moet je ook voldoen aan
de eisen voor inburgering. Uitgebreide informatie over de voorwaarden vind je in art 8.
Rechtsmiddelen tegen de rijkswet op het Nederlanderschap zijn bezwaar aantekenen en
vervolgens hoger beroep.
De vreemdelingenwetgeving
, Samenvatting Recht Leerjaar 2, Periode 1
In de vreemdelingenwet vind je verblijfsvergunningen die samenhangen met asiel. Dit zijn er
2:
Onbepaalde tijd en bepaalde tijd (art 14. Vreemdelingenwet). De minister van justitie en
Veiligheid is bevoegd tot het afgeven van een vergunning voor bepaalde tijd. (art 28
Vreemdelingenwet). Ook asiel voor onbepaalde tijd mag hij toekennen (art 33
Vreemdelingenwet). Het IND voert namens de minister de vreemdelingenwet uit. Een
verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd kan omgezet worden naar een verblijfsvergunning
onbepaalde tijd. Bij het hebben van een asielvergunning onbepaalde tijd kan iemand niet
meer uitgezet worden.
Asielgronden (art 29 Vreemdelingenwet) zijn de gronden
waarop iemand asiel kan krijgen. Iemand die een vluchteling is volgens een VN verdrag valt
hieronder. Ook iemand die een levensbedreigende situatie heeft of gegronde vrees voor
marteling heeft, valt onder de asielgronden. In het geval van gezinshereniging met een
asielgerechtigde is er ook sprake van een asielgrond.
Er zijn ook afwijzingsgronden. (art 30 Vreemdelingenwet) Een van deze gronden is
bijvoorbeeld als de eerder genoemde asielgronden niet aangetoond kunnen worden. Dit
noemt men bewijslast. Een afwijzing kan ook zijn gebaseerd op basis van de Dublin
verordening. Deze verordening houdt in dat men via een ander land Europa binnen is
gekomen. Dat land is dan verantwoordelijk voor het afhandelen van de asielprocedure.
Asielprocedure
Een asielprocedure heeft ook specifieke bepalingen. (3:108-123 Vreemdelingenbesluit). De
asielprocedure bestaat uit de volgende onderdelen:
1. Asielaanvraag doen bij het aanmeldcentrum (3:108 Vreemdelingenwet)
2. 14 dagen rust en voorbereidingstijd. Men moet in deze periode informatie ontvangen
over de procedure en een advocaat verkrijgen vanuit de bijstand (art 3:109
Vreemdelingenwet)
Je hebt ook de 8 dagen procedure. Dit wordt ook wel de korte procedure genoemd. Deze is
als volgt:
Dag 1: eerste gehoor. Men bespreekt de identiteit, nationaliteit en reisroute van de
aanvrager (3:112 Vreemdelingenbesluit)
Dag 3: nader gehoor. Men bespreekt het motief en asielgrond. Hierna volgt een
beslissing (3:113 Vreemdelingenbesluit)
Dag 5/6: de voornemenprocedure wordt bekendgemaakt. Een voorgenomen
afwijzing of toewijzing wordt bekend gemaakt. (3: 114 Vreemdelingenbesluit)
Dag 8: Uiterlijk op deze dag wordt het besluit bekend gemaakt. Het besluit kan in alle
gevallen afwijzen of toekennen zijn. Iemand kan vanuit de zienswijze doorstromen
naar de verlengde procedure. De verlengde procedure duurt 6 maanden en kan
verlengd worden met 6 maanden.
De verlengde termijn is uitzonderlijke verlenging van 12 maanden (art 43 Vreemdelingenwet)
In totaal kan de verlengde procedure dus 24 maanden duren.
Besluit tot afwijzing