Verkoopgesprek.
Hoofdstuk 1,
Actief luisteren: Begrijpen wat de ander zegt en laten zien dat je luistert.
AIDA: Gespreksmodel, waarbij de letters staan voor Attention , Interest , Desire en Action.
A-merken: Bekende productmerken. A-merken zijn meestal duurder en van een betere
kwaliteit dan hetzelfde product van een ander merk.
Artikelverschillen: Het verschil tussen de verschillende artikelen waarnaar de interesse van
de klant uitgaat.
Assortiment: Alle artikelen die een winkelier in zijn winkel verkoopt.
Assortimentsbreedte: De hoeveelheid productgroepen in een assortiment.
Assortimentsdiepte: De hoeveelheid producten binnen een productgroep.
Bediening: ledere klant wordt door een verkoper geholpen.
Bijverkoop: Meer artikelen verkopen dan dat de klant oorspronkelijk van plan was om te
kopen. Ook wel combinatieverkoop genoemd.
Branche specifieke handelingen: Werkzaamheden die passen bij jouw branche.
Combinatieverkoop: Een ander woord voor Bijverkoop.
Consumentenbehoefte: De reden waarom een klant een product koopt. Hij vervult daarmee
een behoefte.
Convenience goods: Producten die je makkelijk en zonder nadenken koopt. Je noemt ze ook
wel gemaks- of gewoontegoederen.
Crosschanneling: De klant gebruikt zowel online en offline kanalen voor een aankoop.
Customer journey: De 'reis ' die een klant aflegt om een artikel te kopen.
Demonstreren: Laten zien welke mogelijkheden een artikel heeft.
Doelgroep: De mensen die je wilt bereiken als je (potentiële) klant.
Gesloten vraag: Een vraag waarop één antwoord mogelijk is.
Inspringmoment: Het meest geschikte moment om de klant aan te spreken.
Impulsartikel: Een product dat een klant uit impuls koopt omdat hij erlangs loopt of het ziet
liggen bij de kassa.
Keuzevraag: Een vraag waarbij je de klant laat kiezen tussen een beperkt aantal antwoorden.
Koopbeslissingsproces: Het proces dat een klant doorloopt voor een aankoop. Het proces
bestaat uit vijf fasen: Probleemherkenning, informatie zoeken, evalueren van alternatieven
aankoopbeslissing, evaluatie na de koop.
Koopgedrag: De manier waarop een klant zich in de winkel gedraagt wanneer hij mogelijk
een aankoop wil doen.
Koopmotief: De reden waarom een klant een bepaald artikel wil kopen.
Koopweerstand: Een klant maakt bezwaren.
Koopwens: De artikelen die de klant wil kopen.
Koopwensonderzoek: Onderzoeken van de koopwens van de klant.
Lichaamshouding: Een onderdeel van de manier waarop je jezelf presenteert.
Luisteren: Opletten wat de ander zegt. Je luistert om de koopwens te achterhalen.
Maatwerk advies: Advies dat bij de wensen van de klant past.
Maatwerk diensten: Branche specifieke handelingen die je verricht om te voldoen aan de
wensen van de klant.
Maatwerk product: Een product dat speciaal voor de klant is gemaakt.
, Marketing instrumenten: Een ander woord voor de zes P's. Hiermee bepaalt de winkelier zijn
winkelformule.
Marktpositie: De plaats die de winkel inneemt in de markt ten opzichte van de concurrenten.
Een winkel kan een lage gemiddelde of hoge marktpositie hebben.
Non-verbale communicatie: Alle communicatie waarbij geen gebruik wordt gemaakt van
taal.
Observeren: Naar iets of iemand kijken.
Open vraag: Een vraag waarop de klant een uitgebreid antwoord kan geven.
Piramide van Maslow: Theoretisch model dat de consumentenbehoefte verdeeld in vijf
categorieën: lichamelijke behoeften, behoefte aan veiligheid en zekerheid, behoefte aan
sociaal contact, behoefte aan waardering en erkenning, zelfontplooiing.
Plaatsvervangende verkoop: Een alternatief artikel aanbieden als het gewenste artikel niet
op voorraad is. Een ander woord voor plaatsvervangende verkoop is substitutieverkoop.
POINT: Gespreksmodel waarbij de letters staan voor: Persoonlijk betrokken en plezier,
Oplossingsgericht, Initiatiefrijk, Nut en toegevoegde waarde leveren en Toegankelijk zijn.
Prijsdistributie: Het aanbieden van producten voor een lage prijs.
Promotie: Een ander woord voor reclame.
Reflecterende vraag: Een vraag waarbij je de opmerking van de klant herhaalt en vraagt om
nadere uitleg.
Retailinstrument: Eén van de zes instrumenten die een Retail bedrijf heeft om ervoor te
zorgen dat hij met zijn winkelformule zo goed mogelijk aansluit bij de klant.
Sandwichmethode: Verkooptechniek waarbij je de prijs noemt tussen twee 'lagen' van
sterke verkoopargumenten.
Semizelfbediening: Met bepaalde producten wordt de klant geholpen, de rest van de
producten pakt de klant zelf.
Servicedistributie: Het aanbieden van producten vanuit een servicegerichte omgeving.
Shopping goods: Producten waarvoor je meer moeite doet om ze te kopen. Je noemt ze ook
wel winkelgoederen.
Specialty goods: Dure en luxueuze producten die je niet vaak koopt. Je noemt ze ook wel
waarde artikelen.
Substitutieverkoop: Een ander woord voor plaatsvervangende verkoop.
Tonen: Verschillende artikelen laten zien die overeenkomen met de koopwens van de klant.
Verkoopargumenten: Redenen die je als verkoper aan een klant geeft om een bepaald
artikel te kopen.
Vragentrechter: Vragen stellen van open naar gesloten zodat je dichter bij de koopwens van
de klant komt.
VOCATIO: Gespreksmodel, waarbij de letters staan voor: Verkenning. Omschrijving
klantprobleem, Confrontatie, Argumentatie, Tegenwerpingen, Instemming verkrijgen en
Order verwerven.
Verkoopgesprek: Een gesprek tussen een verkoper en een klant met het doel een product of
dienst te verkopen.
Verkoopsysteem: Geeft aan hoe je klanten in een winkel helpt.
Winkelformule: De manier waarop een bepaalde winkel of winkelketen zijn producten
aanbiedt aan de klant. De doelmarkt, positie in de markt en het assortiment vormen samen
de winkelformule.
Zelfbediening: De klant pakt zelf de artikelen die hij nodig heeft en rekent af bij de kassa of
zelfscankassa.
Hoofdstuk 1,
Actief luisteren: Begrijpen wat de ander zegt en laten zien dat je luistert.
AIDA: Gespreksmodel, waarbij de letters staan voor Attention , Interest , Desire en Action.
A-merken: Bekende productmerken. A-merken zijn meestal duurder en van een betere
kwaliteit dan hetzelfde product van een ander merk.
Artikelverschillen: Het verschil tussen de verschillende artikelen waarnaar de interesse van
de klant uitgaat.
Assortiment: Alle artikelen die een winkelier in zijn winkel verkoopt.
Assortimentsbreedte: De hoeveelheid productgroepen in een assortiment.
Assortimentsdiepte: De hoeveelheid producten binnen een productgroep.
Bediening: ledere klant wordt door een verkoper geholpen.
Bijverkoop: Meer artikelen verkopen dan dat de klant oorspronkelijk van plan was om te
kopen. Ook wel combinatieverkoop genoemd.
Branche specifieke handelingen: Werkzaamheden die passen bij jouw branche.
Combinatieverkoop: Een ander woord voor Bijverkoop.
Consumentenbehoefte: De reden waarom een klant een product koopt. Hij vervult daarmee
een behoefte.
Convenience goods: Producten die je makkelijk en zonder nadenken koopt. Je noemt ze ook
wel gemaks- of gewoontegoederen.
Crosschanneling: De klant gebruikt zowel online en offline kanalen voor een aankoop.
Customer journey: De 'reis ' die een klant aflegt om een artikel te kopen.
Demonstreren: Laten zien welke mogelijkheden een artikel heeft.
Doelgroep: De mensen die je wilt bereiken als je (potentiële) klant.
Gesloten vraag: Een vraag waarop één antwoord mogelijk is.
Inspringmoment: Het meest geschikte moment om de klant aan te spreken.
Impulsartikel: Een product dat een klant uit impuls koopt omdat hij erlangs loopt of het ziet
liggen bij de kassa.
Keuzevraag: Een vraag waarbij je de klant laat kiezen tussen een beperkt aantal antwoorden.
Koopbeslissingsproces: Het proces dat een klant doorloopt voor een aankoop. Het proces
bestaat uit vijf fasen: Probleemherkenning, informatie zoeken, evalueren van alternatieven
aankoopbeslissing, evaluatie na de koop.
Koopgedrag: De manier waarop een klant zich in de winkel gedraagt wanneer hij mogelijk
een aankoop wil doen.
Koopmotief: De reden waarom een klant een bepaald artikel wil kopen.
Koopweerstand: Een klant maakt bezwaren.
Koopwens: De artikelen die de klant wil kopen.
Koopwensonderzoek: Onderzoeken van de koopwens van de klant.
Lichaamshouding: Een onderdeel van de manier waarop je jezelf presenteert.
Luisteren: Opletten wat de ander zegt. Je luistert om de koopwens te achterhalen.
Maatwerk advies: Advies dat bij de wensen van de klant past.
Maatwerk diensten: Branche specifieke handelingen die je verricht om te voldoen aan de
wensen van de klant.
Maatwerk product: Een product dat speciaal voor de klant is gemaakt.
, Marketing instrumenten: Een ander woord voor de zes P's. Hiermee bepaalt de winkelier zijn
winkelformule.
Marktpositie: De plaats die de winkel inneemt in de markt ten opzichte van de concurrenten.
Een winkel kan een lage gemiddelde of hoge marktpositie hebben.
Non-verbale communicatie: Alle communicatie waarbij geen gebruik wordt gemaakt van
taal.
Observeren: Naar iets of iemand kijken.
Open vraag: Een vraag waarop de klant een uitgebreid antwoord kan geven.
Piramide van Maslow: Theoretisch model dat de consumentenbehoefte verdeeld in vijf
categorieën: lichamelijke behoeften, behoefte aan veiligheid en zekerheid, behoefte aan
sociaal contact, behoefte aan waardering en erkenning, zelfontplooiing.
Plaatsvervangende verkoop: Een alternatief artikel aanbieden als het gewenste artikel niet
op voorraad is. Een ander woord voor plaatsvervangende verkoop is substitutieverkoop.
POINT: Gespreksmodel waarbij de letters staan voor: Persoonlijk betrokken en plezier,
Oplossingsgericht, Initiatiefrijk, Nut en toegevoegde waarde leveren en Toegankelijk zijn.
Prijsdistributie: Het aanbieden van producten voor een lage prijs.
Promotie: Een ander woord voor reclame.
Reflecterende vraag: Een vraag waarbij je de opmerking van de klant herhaalt en vraagt om
nadere uitleg.
Retailinstrument: Eén van de zes instrumenten die een Retail bedrijf heeft om ervoor te
zorgen dat hij met zijn winkelformule zo goed mogelijk aansluit bij de klant.
Sandwichmethode: Verkooptechniek waarbij je de prijs noemt tussen twee 'lagen' van
sterke verkoopargumenten.
Semizelfbediening: Met bepaalde producten wordt de klant geholpen, de rest van de
producten pakt de klant zelf.
Servicedistributie: Het aanbieden van producten vanuit een servicegerichte omgeving.
Shopping goods: Producten waarvoor je meer moeite doet om ze te kopen. Je noemt ze ook
wel winkelgoederen.
Specialty goods: Dure en luxueuze producten die je niet vaak koopt. Je noemt ze ook wel
waarde artikelen.
Substitutieverkoop: Een ander woord voor plaatsvervangende verkoop.
Tonen: Verschillende artikelen laten zien die overeenkomen met de koopwens van de klant.
Verkoopargumenten: Redenen die je als verkoper aan een klant geeft om een bepaald
artikel te kopen.
Vragentrechter: Vragen stellen van open naar gesloten zodat je dichter bij de koopwens van
de klant komt.
VOCATIO: Gespreksmodel, waarbij de letters staan voor: Verkenning. Omschrijving
klantprobleem, Confrontatie, Argumentatie, Tegenwerpingen, Instemming verkrijgen en
Order verwerven.
Verkoopgesprek: Een gesprek tussen een verkoper en een klant met het doel een product of
dienst te verkopen.
Verkoopsysteem: Geeft aan hoe je klanten in een winkel helpt.
Winkelformule: De manier waarop een bepaalde winkel of winkelketen zijn producten
aanbiedt aan de klant. De doelmarkt, positie in de markt en het assortiment vormen samen
de winkelformule.
Zelfbediening: De klant pakt zelf de artikelen die hij nodig heeft en rekent af bij de kassa of
zelfscankassa.